infanterie.jpg

In haar studie schrijft mevr. Heijmans onder andere voor het eerst uitgebreid over Nederlanders die omkwamen aan het loopgravenfront, als soldaten in vreemde krijgsdienst bij o.a. Duitsland en Frankrijk. 

Zelf schrijft ze in haar inleiding over omgekomen Nederlanders het volgende: "Tussen 1914 en 1918 zijn er dan ook Nederlandse slachtoffers gevallen, voornamelijk in de grensstreken en de vaarwateren . Er moet hierbij gedacht worden aan opvarenden van visserij – en handelsboten, die per ongeluk getorpedeerd werden of op een mijn liepen. Er vielen ook slachtoffers in de grensstreek door het prikkeldraad dat door de Duitsers onder stroom was gezet, de zogenaamde ‘draad des doods’. Bombardementen waren niet altijd precies, dit heeft burgerslachtoffers in Zeeland veroorzaakt. Daarnaast is er een aantal Nederlanders werkzaam aan het front geweest, als oorlogscorrespondent, arts of in vreemde krijgsdienst. Hier zijn  ook  slachtoffers gevallen.  Over deze aspecten bestaan wel deelstudies en vermoedens over de aantallen slachtoffers, maar een gezaghebbend overzicht ontbreekt." 

In 2013 schreef mevr. T. Heijmans haar master scriptie (Universiteit van Amsterdam), getiteld Gevallen Nederlanders in de Eerste Wereldoorlog: een overzicht van de Nederlandse slachtoffers ten gevolge van de grote oorlog.

Hoe verging het de Nederlandse soldaten die uitgezonden werden tussen 1945 en 1949 om Indië te bevrijden, maar in een dekolonisatie oorlog terecht kwamen? Velen zwegen over hun persoonlijke ervaringen, terwijl anderen deze wel optekenden. Een voorbeeld daarvan is een verzameling herinneringen van manschappen die dienden in het 3e Bataljon van het Regiment Prinses Irene, en welke online zijn verzameld en te raadplegen (via een docplayer of te downloaden). Allerlei aspecten van hun leven en strijd in Nederlands-Indië komen naar voren. Bekijk hiervoor de volgende weblink De verhalen van de Sobats van het 3e Bataljon Garderegiment “Prinses Irene”.

We besteden speciaal aandacht aan deze verhalen, aangezien op het aanstaande symposium Hollandse krijgsgevangenen de voormalige directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie de heer Piet Kamphuis geïnterviewd zal worden over het te starten onderzoek naar excessief en/of structureel geweldmisbruik door beide strijdende partijen gedurende de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. 

Hoe gaan huidige Nederlandse gevechtsmilitairen om met de eigen beeldvorming en die van de tegenstander? Hoe kijkt men aan tegen de tegenstander, die soms burger is, opstandeling en bijvoorbeeld ook krijgsgevangen gemaakt wordt?

In het kader van ons aanstaande symposium "Hollandse krijgsgevangenen" op 29 september a.s. is het interessant om te kijken hoe soldaten omgaan met het creëren van wij-zij beelden, en dan voor een deel ook hoe er tegen gevangen genomen strijders van de Taliban in Afghanistan wordt gekeken en mee wordt omgegaan. In haar studie "Voor volk en vaderland" schrijft mevr. Molendijk onder andere het volgende: De constructie van een vijandelijke ‘zij’ is een voorbode van geweld. Dit is bekend in de (sociale) wetenschappen. De constructie van de ‘wij’ is echter afwezig in de meeste onderzoeken naar geweld. Dit, terwijl een ‘zij’ nooit bestaat zonder een  ‘wij’. Mijn focus zal juist liggen op de collectieve identiteiten – de ‘wij’ - die Nederlandse gevechtsmilitairen ontwikkelen.

In haar inleiding betoogt Molendijk verder: 

Met de overgave van Japan op 15 augustus 1945 bevonden plots duizenden Japanse soldaten zich in krijgsgevangenschap. Zo ook in Nederlands-Indië waar twee dagen na de capitulatie Soekarno de onafhankelijke Indonesische staat uitriep. Hoe verging het deze Japanse krijgsgevangenen in een Nederlandse kolonie waar de strijd losbarstte tussen het herstel van het Nederlandse gezag en de rebellerende Indonesiërs? De Japanners werden beschuldigd van steun aan de republiek, maar er ontstonden juist spanningen toen de laatste zich wapens en munitievoorraden probeerde toe te eigenen.

Van 1945 tot 1947 verbleven duizenden Japanse soldaten en burgers in gevangenschap om arbeid te verrichten, te midden van een dekolonisatie oorlog.

Japanse krijgsgevangenen op Manado, mei 1946

Zo schrijft dhr. Jobse in zijn bacherlor scriptie het volgende: (om verder te lezen en de studie te raadplegen... klik op meer lezen!)

Na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog moest Nederland zich op het defensie vlak compleet opnieuw gaan oriënteren. Van een toekomstige neutraliteit kon geen sprake meer zijn, maar er was nog geen duidelijk kader om internationaal aan deel te nemen zoals de NAVO die nog niet was opgericht in 1945. Bovendien vroeg de strijd in de voormalige kolonie Nederlands-Indië alle aandacht tot aan 1950, waarna kort erna ook de Korea oorlog zich aandiende. 

Voor de Nederlandse land- en luchtstrijdkrachten was er al gauw een nieuwe taak gevonden op het internationale vlak na het toetreden tot het NAVO bondgenootschap. De Koninklijke Marine zou echter een kariger rol krijgen, aangezien haar traditionele rol al meer dan honderd jaar vooral gericht was geweest op het verdedigen van de kolonies in Azië, terwijl er een bescheiden rol was weggelegd voor de kustverdediging op de Noordzee. Hoe kon het dan uiteindelijk gebeuren dat de marine toch een belangrijke rol kreeg na 1950 in NAVO verband en een grote vloot kon opbouwen?

In zijn studie beschrijft de heer S. Torres onder andere het volgende: Nederland kreeg zowel binnen de Westerse Unie als binnen de NAVO de primaire taak om land en lucht te verdedigen tegen een mogelijke Sovjet aanval. Samen met haar Europese bondgenoten zou zij verantwoordelijk zijn voor de verdediging van Europa, terwijl de Verenigde Staten, Canada en het Verenigd Koninkrijk daarnaast ook de communicatielijnen op de Atlantische Oceaan zouden beschermen. Dit betekende voor Nederland dat de opbouw van de land- en luchtstrijdkrachten prioriteit moest krijgen. De Nederlandse land- en luchtmacht bevonden zich echter in een deplorabele toestand. Voor het herbouwen van de Nederlandse krijgsmacht zou veel geld en militair materieel nodig zijn. De Koninklijke Marine was daarentegen goed georganiseerd en had zelf de opbouw van een uitgebreide vloot voor ogen. Met de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië had de Koninklijke Marine haar voornaamste werkterrein verloren en de nationaal gerichte oriëntatie werd verruild voor internationale samenwerkingsverbanden.

Om de nieuwe rol te verklaren van de Koninklijke Marine na 1950, is het noodzakelijk te kijken naar de succesvolle wederopbouw tussen 1945 en 1951.... (klik lees meer)