mldvliegtuig.jpg

Aan het einde van de 18e eeuw ten tijde van de Verlichting werd de Klassieke oudheid vaak naar voren gebracht in het politieke debat door de actieve burgers over een ideale samenleving. De Patriottenbeweging was daar geen uitzondering op. Het is dan ook interessant om te zien hoe men naast het politieke debat, deze klassieke oudheid werd opgenomen in de Patriotse vrijkorpsen en exercitie genootschappen.

Over dit onderwerp schreef dhr. Van de Graaf zijn studie, waarin hij in de inleiding onder andere stelt: "Welke rol speelde het klassieke ideaal bij de exercitiegenootschappen van de patriotten? Het belang van exercitiegenootschappen past goed in het fenomeen van sociabiliteit. Exercitiegenootschappen waren volgens Klein immers organisaties die ‘functioneerden (…) als politieke clubs en als verenigingen waarin de achttiende-eeuwse burger zijn streven naar sociabiliteit kon praktiseren’. Tevens hadden de exercitiegenootschappen naast een militaire, ook een meer politiek-culturele functie. Ze waren vaak gekoppeld aan politieke en culturele sociëteiten, waarin patriotten zich eveneens organiseerden, waardoor het uiting gaf aan een sociabiliteitideaal."  

In het jaar 1629 zag de Republiek een kans om uit de knellende omsingeling te komen van de Spanjaarden aan haar zuidelijke grens en een aan het oosten vijandelijk gezinde keizer Ferdinand II, door een beleg te organiseren voor de prestigieuze stad Den Bosch. Spanje was op dat moment financieel sterk verzwakt en kon haar legers in de Nederlanden nauwelijks betalen. Het werd een uitgelezen kans voor het Staatse leger en haar commandant, de prins-stadhouder Frederik Hendrik.

De voorbereiding op het beleg (door Daniël Cletcher)

In 2008 publiceerde de historicus dhr. De Cauwer een uitgebreide studie met nieuwe inzichten en invalshoeken over het beleg, getiteld "Tranen van bloed". Deze studie is hier online beschikbaar....

Voor de rekrutering van manschappen, matrozen en vooral ook soldaten voor de Indische kolonies in de Oost moest de VOC ook over de grenzen van de eigen republiek kijken. In de 2e helft van de 18e eeuw werden bijvoorbeeld ook grote aantallen mannen gerekruteerd uit de Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik, grofweg het huidige België. 

Over dit onderwerp schreef mevr. Van Durme een uitgebreide studie, getiteld "Zuid-Nederlanders in dienst van de Verenigde  Oost-Indische Compagnie: tweede helft achttiende eeuw".

In haar inleiding schrijft zei onder andere: "De schepen die uitvaarden naar het verre Azië waren maanden onderweg. Men kan zich dan ook de vraag stellen hoeveel Zuidelijke Nederlanders er in de tussentijd overleden en wat de reden van hun dood zou geweest zijn. Was er een verschil op te merken in de sterfte onder de militairen of zeelieden? Of lag de sterfte hoger bij handwerklieden en andere dienaren die in Azië te werk gesteld waren? Het was ook niet ongewoon dat Zuid-Nederlanders aan de Kaapkolonie aan boord gingen. Waren er Zuid-Nederlanders onder deze mensen? Ik wens ook na te gaan hoe de Zuid-Nederlandse dienaren uit dienst traden. Ze zullen niet allemaal overleden zijn, dus hoe zouden de verschillende dienaren hun diensttijd beëindigd hebben indien ze in leven bleven? Zijn hier verschillen op te merken tussen de verschillende beroepen of maakte het werk van de dienaar hier niets bij uit? Dit onderzoek legt zich, zoals reeds werd aangegeven, toe op de laatste 50 jaar van het bestaan van de Verenigd Oost-Indische Compagnie. Hoeveel Zuid-Nederlanders werkten er in deze periode als dienaar voor de Compagnie? Of beter, hoeveel Zuid-Nederlanders vaarden er gedurende deze periode uit naar het oosten met de VOC?"

De defensie van de overzeese gebiedsdelen in het Caribische gebied vormde eeuwen lang een moeilijke taak voor Nederland. Ook heden ten dage is het koninkrijksdeel van de Antillen volledig voor de verdediging afhankelijk van Nederland zelf, aangezien de eilanden geen onderdeel vormen van het NAVO verdrag. Wat deed Nederland in de eerste helft van de 20e eeuw om Suriname en de Antillen te beschermen?

De heer Van Etten schreef een studie, waarin hij onder andere stelt ter inleiding: "Deze scriptie gaat over de inrichting van de defensie van Suriname en de Antillen gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw tegen externe bedreigingen. Hiervoor is een analyse gemaakt van de (mogelijke) bedreigingen voor Suriname en de Antillen. Wat waren de Nederlandse en Amerikaanse dreigingsanalyses en welke strategische beslissingen volgden hieruit? Verder zijn de bestuurlijke en militaire verantwoordelijkheid voor de inrichting van de defensie in de West geanalyseerd. Wat waren de opties, hoe werd hieruit gekozen en wat was het niveau van 'commitment'? In het derde hoofdstuk wordt de daadwerkelijke inrichting van de defensie van Suriname en de Antillen geanalyseerd. Welke middelen had Nederland beschikbaar in de eerste helft van de twintigste eeuw?"

Amerikaanse soldaten in de Surinaamse jungle tijdens de Tweede Wereldoorlog

Verder betoogt Van Etten: .....

In zijn dissertatie Staatsvormend geweld: overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572 -1629, schrijft dhr. Adriaenssen in de inleiding o.a. het volgende:

"De Nederlandse geschiedschrijving van de Opstand is sterk hollandocentrisch. Het was immers Holland waar de victorie begon, de Hollandse bourgeoisie die de oorlog bekostigde en de Hollandse koopman die spectaculair profiteerde van de verdrijving van de Iberiërs uit hun lucratieve commerciële posities in de Indiën. In het nationale geheugen nemen de Hollandse steden Brielle, Haarlem, Alkmaar en Leiden belangrijke plaatsen in, terwijl aan de Spaanse gruweldaden de naam van de Hollandse stad Naarden onlosmakelijk is verbonden. En hoewel er kort na de moord op 19 priesters in Gorinchem onder minstens even barbaarse omstandigheden nog 23 werden geliquideerd in Roermond, begon de rooms-katholieke, contrareformatorische oorlogspropaganda met de zaligverklaring van de martelaren van Gorkum – nog een Hollandse stad."

De plundering van Wommelgem (door Sebastiaan Vrancx)