f16.jpg

In zijn dissertatie Staatsvormend geweld: overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572 -1629, schrijft dhr. Adriaenssen in de inleiding o.a. het volgende:

"De Nederlandse geschiedschrijving van de Opstand is sterk hollandocentrisch. Het was immers Holland waar de victorie begon, de Hollandse bourgeoisie die de oorlog bekostigde en de Hollandse koopman die spectaculair profiteerde van de verdrijving van de Iberiërs uit hun lucratieve commerciële posities in de Indiën. In het nationale geheugen nemen de Hollandse steden Brielle, Haarlem, Alkmaar en Leiden belangrijke plaatsen in, terwijl aan de Spaanse gruweldaden de naam van de Hollandse stad Naarden onlosmakelijk is verbonden. En hoewel er kort na de moord op 19 priesters in Gorinchem onder minstens even barbaarse omstandigheden nog 23 werden geliquideerd in Roermond, begon de rooms-katholieke, contrareformatorische oorlogspropaganda met de zaligverklaring van de martelaren van Gorkum – nog een Hollandse stad."

De plundering van Wommelgem (door Sebastiaan Vrancx)

Rob Wolters

In twee eerdere artikelen heb ik laten zien dat de Nederlandse troepen bij Waterloo heel andere kwartiermutsen droegen dan men tot voor kort aannam. Maar hoe zat het nu met de kwartiermuts M1815? Deze werd ook hier en daar al wel  gedragen, al was het maar door de compagnieën vrijwilligers. De vrijwilligers schaften zich hun gehele uniform en uitrusting aan in 1815. Daardoor konden en moesten zij direct de nieuwe voorschriften volgen.

In de zomer van 1814 had koning Willem I een Commissie voor de inrichting van het militaire wezen benoemd.1 Deze Commissie beoordeelde alle aspecten van de militaire organisatie en deed daartoe uiteenlopende voorstellen. De meeste van deze voorstellen bevatten complete reglementen. Ook het uniform was een onderwerp van discussie. In september diende het lid De Constant-Rebecque2 een voorstel in voor de uniform van de staf en de troepen te voet.3 Hierbij stelde hij een Hongaarse muts voor. Mogelijk in eerste instantie zonder klep, want de woorden 'et une visière' zijn met potlood toegevoegd en dus mogelijk pas tijdens de discussie. Dat is te meer waarschijnlijk omdat we weten dat de Belgische muts zonder klep ook een ontwerp van De Constant-Rebecque was.4 

 

Donkerblauwe kwartiermuts met klep en rode opstaande rand en bies, Nationale Militie (Collectie Nationaal Militair Museum; objectnummer 051200)

Teupken heeft in 1823 de toen in gebruik zijnde kwartier- en stalmutsen beschreven. In de collectie van het Nationaal Militair Museum bevindt zich een muts, die in grote lijnen aan die beschrijving beantwoordt. De beschrijving luidt als volgt:

Hoog 135, breed over den bol 250, en de band breed 38 strepen [=mm]; de lederen klep in het midden breed 55, waarvan de einden op 30 strepen nabij de zijnaad komen; een leder blad in den bol en met linnen kap.5 

Deze beschrijving is echter die van de stalmuts van de kurassiers, lichte dragonders, rijdende artillerie en trein. De kwartiermuts van de troepen te voet was niet hetzelfde. De maten, die in een tabel vastgelegd waren, verschilden op twee punten: de hoogte was 145 mm en de breedte van de band 35 mm.6 De beschrijving week ook af:

Met laken klep, geplaats op 10 strepen van den zijnaad; een leder blad in de bol en in de klep, en met linnen kap.7 

Op 13 en 14 september 1944 bevrijdden troepen van het Amerikaanse 9e Leger Maastricht als eerste Nederlandse stad. Onmiddellijk vestigde zich hier namens de Nederlandse regering in Londen het Militair Gezag, maar ook eenheden van de Amerikaanse Civil Affairs Division. Hoe gingen die onderling met elkaar om, en de voormalige verzetsgroepen die nu verenigd waren in de Binnenlandse Strijdkrachten, en niet te vergeten de burgerbevolking? Niks zou makkelijk gaan, zeker niet zolang de oorlog nog niet voorbij was en de stad dicht aan de frontlinie bleef liggen.

Dhr. Zane schreef een studie over dit onderwerp in 2013, waarin hij in zijn inleiding o.a. schrijft: "Vandaag de dag blikken we terug op een succesvolle bevrijding en een succesvol weder opgebouwd Nederland. De herinnering aan de bevrijding is vervuld van vreugde, opluchting en dankbaarheid. Toch lijkt het onwaarschijnlijk dat de moeilijke periode van september 1944 tot mei 1945 zonder onvrede en vertwijfeling voorbij gevlogen is voor de Nederlanders die reeds bevrijd waren. Opnieuw maakten vreemden de dienst uit en het is onmogelijk dat het verzet zomaar ieder voorstel bij de eerste onderhandelingen accepteerde. Tevens liep het katholieke zuiden niet zo warm voor het protestantse koningshuis als de noorderlingen en de bevrijding betekende niet direct het einde van de angst, de schaarste en het verdriet dat de oorlog teweeg had gebracht." 

"Om de dynamiek tussen de Amerikaanse en Nederlandse bevelhebbers en bestuurders, de Nederlandse verzetsstrijders en de bevolking om wiens gunst zij vroegen beter te begrijpen analyseert dit onderzoek de bevrijding van Maastricht in detail."

Na de Negenjarige Oorlog (1688-1697) verkreeg de Republiek het recht om in de Zuidelijke Spaanse Nederlanden een aantal steden, c.q. vestingen, te voorzien van militaire garnizoenen. Op deze wijze konden de gebieden beschermt worden tegen invallen vanuit Frankrijk, terwijl Spanje zelf te zwak was om hier troepen te legeren. Na de Spaanse Successie oorlog (1702-1713) ging het gebied wat ruwweg te omschrijven is als het huidige België over naar de Oostenrijks-Habsburgse kroon, en werd vervolgens bekend als de Oostenrijkse Nederlanden. Nog steeds was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden machtig genoeg om aan de grens met Frankrijk een aantal vestingen te bezetten ter bescherming.

In de tweede helft van de 18e eeuw veranderde er echter langzamerhand een en ander voor de Republiek en de fortengordel van de Barrière steden. In zijn studie beschrijft dhr. Cuyt deze periode als volgt: "In 1740 stierf keizer Karel VI van Oostenrijk onverwacht. Maria-Theresia, de oudste dochter van Karel VI, eiste de troon op. Frankrijk en Pruisen betwisten deze troonsopvolging, waarop de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) uitbrak. Het werd een complex conflict tussen verschillende spelers over verschillende gebieden. Vooral het hertogdom Silezië was een heet hangijzer voor de Pruisische koning Frederik II De Grote. Oostenrijk, Groot-Brittannië, Rusland en de Republiek streden op verschillende fronten samen tegen Pruisen, Frankrijk en de keurvorsten van Beieren en Saksen. Frankrijk viel de Oostenrijkse Nederlanden binnen in 1744. De Barrière kon maar weinig weerstand bieden waardoor de Oostenrijkse Nederlanden van 1746 tot 1748 in Franse handen waren. In 1747 drongen de Franse troepen zelfs de Republiek binnen en namen onder andere de belangrijke vestingstad Bergen op Zoom in. Uiteindelijk wist het bondgenootschap rond Maria-Theresia het conflict in hun voordeel te beslechten. In 1748 werd de Vrede van Aken getekend en een jaar later keerden de Staatse troepen terug naar de barrièresteden."  

De militaire defensie van de kolonie Nederlands-Indië was altijd al een precaire zaak geweest voor het neutrale Nederland, dat moest balanceren met de machtsverhoudingen in Europa en in Zuid-Oost Azië met nieuwe opkomende moderne staten zoals Japan. Deze neutraliteitspolitiek zou ook problemen veroorzaken eind 1941 toen steeds duidelijker werd dat ook in de Pacific een oorlog onvermijdelijk zou worden, en die op 7 december 1941 in gang werd gezet met de Japanse aanval op de US marine basis van Pearl Harbor. Dit alles zou ook zijn consequenties hebben op het gezamenlijke ABDACOM commando van de Geallieerden, en daarmee ook op de Slag in de Javazee.

In haar Engelstalige studie beschrijft mevr. Noot het volgende: ‘We shall uphold, the centuries-old tradition of the Dutch Navy, that has already been demonstrated in European waters, this now shall be in service of preserving our regions [in the Far East]’ Lieutenant-Admiral C.E.L. Helfrich, Commander in Chief of the Netherlands Indies forces, wrote on 9 December 1941 after the Dutch Minister of the Navy and the Commander in Chief of the Navy, J.Th. Furstner had wished him the best of luck in the conduct of war against Japan. In reaction to the Japanese attacks on Pearl Harbour, Malacca and Singapore on 7 December 1941, the Netherlands government had declared itself at war with Japan because of hostile acts against ‘two powers with which the Netherlands entertains most friendly relations’.