vaandels.jpg

Hoe kon een klein land als Nederland haar neutraliteit bewaren gedurende het vierjarige conflict in Europa, terwijl de belangen van de Entente en die van Duitsland telkens politieke en militair druk legden bij de regering en de krijgsmacht? En bovenal wat wat de betekenis en het aandeel van onze Nederlandse krijgsmacht in die vier jaar, bij het handhaven van die neutraliteit? Hoe keek men daar tegenaan in de jaren van het Interbellum? 

Dat alles wordt beschreven in de studie van dhr. Breukel, getiteld De preventieve beteekenis van ons leger in den oorlog.

In zijn voorwoord beschrijft de auteur het volgende: In 2014 schreef ik een Bachelor-thesis waarin de Nederlandse neutraliteit gedurende de Eerste Wereldoorlog vanuit een Duits perspectief bekeken werd. Het Duitse economische belang in Nederland bleek groot maar een inlijving was om allerlei politieke, economische en strategische redenen onwenselijk. Voor Engeland gold met betrekking tot Nederland eenzelfde situatie. Beide oorlogvoerende partijen hadden er dus voordeel bij Nederland ongemoeid te laten waardoor de Eerste Wereldoorlog voor Nederland niet zo ingrijpend werd als voor andere West-Europese landen. Een gebeurtenis die het herdenken waard is. Toch lijkt het erop dat de Nederlandse neutraliteitshandhaving nauwelijks een onderwerp is in de nationale, laat staan internationale, geschiedschrijving. Ze wordt als een vanzelfsprekendheid aangenomen.

De Poolse bijdrage in de slag om Arnhem in 1944 is altijd minder belicht geweest, dan de bijdrage van de Britse en Amerikaanse strijdkrachten in operatie Market Garden. Vandaar dat het hoog tijd is hier aandacht aan te besteden middels de studie van dhr. Wijkhuizen, getiteld De rol van de Poolse troepen tijdens de Tweede Wereldoorlog

In zijn inleiding schrijft Wijkhuizen: Op 31 mei 2006 werd op het Binnenhof in Den Haag de Militaire Willems-Orde (MWO) verleend aan de 1e Zelfstandige Poolse Parachutistenbrigade voor haar rol bij met name de operatie Market Garden in september 1944 tijdens de Tweede Wereldoorlog. De versierselen van de MWO werden bevestigd op het vaandel van de 6e Polish Attack and Assault Brigade, die de traditie van de oorspronkelijke brigade voortzet. Ruim 60 jaar eerder viel de Prinses Irene Brigade die eer ook ten deel.

Hoe moest een klein en neutraal land als Nederland zich aan het begin van de 20e eeuw weren met haar relatief kleine marine tegen de almaar groeiende en veel sterkere vloten van Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland en bovenal die van het dreigende Japan. De theorieën van de Amerikaanse admiraal Mahan brachten daar uitkomst in, althans voor zover mogelijk die voor de Nederlandse marine konden worden toegepast en gefinancierd.

In zijn studie Mahanisme in Nederland, 1890-1914 gaat dhr. Ebeltjes diepgaand in op dit onderwerp.

De Amerikaanse admiraal, geostrateeg en historicus Alfred Thayer Mahan publiceerde in 1890 het baanbrekende boek The Influence of Sea Power Upon History, 1660-1783. In dit werk betoogt Mahan dat de sleutel voor staten om een wereldmacht te worden op zee ligt. Over de hele wereld moesten westerse staten volgens hem handelsroutes, koloniën, militaire bases, havens en kolenstations beheersen en controleren. De inzet van oorlogsschepen speelde daarbij een belangrijke rol. Mahan zag de vloot namelijk als de schakel die het moederland met de rest van de wereld verbond. Staten als Groot-Brittannië, Duitsland, Rusland, de Verenigde Staten en Japan lieten zich inspireren door het werk van Mahan en bouwden daarom steeds grotere en zwaarbewapende schepen. In 1890 was Nederland niet meer de grote zeemacht die het tijdens de Gouden Eeuw was. Toch speelde de zeevaart nog een grote rol. Schepen voeren af en aan naar gebieden als Suriname, de Nederlandse Antillen en vooral Nederlands-Indië. Bijna de gehele negentiende eeuw maakte Nederland dankbaar gebruik van de Britse dominantie op de wereldzeeën, die ook bescherming bood aan de schepen van bevriende naties. Rond 1890 begon de Tweede Kamer zich echter steeds meer zorgen te maken over de landsverdediging en de bescherming van Nederlands-Indië. Het besef ontstond dat er oorlogsschepen nodig waren om kustgebieden, handelsroutes en Nederlandse belangen over de hele wereld te beschermen. Zonder vrije toegang tot de wereldzeeën zou een handelsnatie als Nederland immers reddeloos verloren zijn. Daarnaast moest de neutraliteit in eigen wateren gewaarborgd worden en was Nederland erg bang om zijn kolonie Nederlands-Indië te verliezen aan een grootmacht in opkomst: Japan. Nederland moest en zou daarom een eigen sterke vloot opbouwen, waarmee het zichzelf kon beschermen.

Was het nationalisme dat de Utrechtse studenten dreef eind 1830, begin 1831 om een vrijwillige compagnie op te richten en deel te nemen aan de strijd tegen de Belgen die de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen? Of was er sprake van een zogenaamde peer pressure, een groepsdruk, die voortkwam uit de onderlinge studentencultuur?

Op die vragen gaat de studie in van dhr. De Korte, getiteld Utrechtse studenten en de Tiendaagse Veldtocht, waar we graag aandacht aan besteden vanwege diens artikel dat over dit onderwerp ook is verschenen in Nummer 2 (2018) van ons tijdschrift Mars et Historia.

Medaillon met Vrijwillige Jagers der Utrechtse Hogeschool, 1830 (Michel Mourot, 1830, © Rijksmuseum Amsterdam)

In de inleiding schrijft De Korte: Dit onderzoek probeert te achterhalen waarom de Utrechtse studenten in 1830 hun leven wilden riskeren in een oorlog waar zij niet bij betrokken waren. Zoals boven aangetoond wordt er in de literatuur gewezen op nationalisme, en liefde voor de koning. Door in te gaan op de bronnen van de Utrechtse studenten die streden voor het vaderland in 1830 en 1831 wordt er verwacht dat er vele nationalistische gevoelens tot uiting worden gebracht. De twee hoofdvragen van dit onderzoek zullen gaan welke rol nationalisme en studentencultuur bij de aanmeldingen van de Utrechtse studenten hebben gespeeld.

Koning Lodewijk XIV stelde alles in het werk om binnen korte tijd de vesting Maastricht te veroveren. Om zijn doel te bereiken nam hij zijn beroemde vestingbouwer en belegeringsdeskundige Sebastien LePrestre de Vauban mee op veldtocht. In slechts dertien dagen viel de Staatse vesting in Franse handen, en werd daarmee een schoolvoorbeeld voor de komende honderden jaren, hoe een vijandelijke vesting in te nemen.

Maastricht als vestingstad heeft al meermalen hier op onze website aandacht gekregen, en met de volgende studie sluiten we voorlopig dit onderwerp af. Nu dus aandacht voor de studie van dhr. Colijn, getiteld Sebastien LePrestre de Vauban en het beleg van Maastricht in 1673.

Aankomst van Lodewijk XIV in het legerkamp voor Maastricht (door Adam Frans van der Meulen, detail, ca. 1675, Louvre museum)

In zijn studie schrijft Colijn in de inleiding: Op 5 juni 1673 verscheen de voorhoede van een Frans leger voor de poorten van de meest vooruitgeschoven vesting van de Republiek, Maastricht. Ondanks haar faam als zeer sterke vesting wisten de Fransen de stad binnen enkele weken in te nemen. De vreugde hierom was dusdanig dat Lodewijk XIV, die het opperbevel over het Franse leger voerde, in Parijs een triomfboog liet oprichten ter herinnering aan de verovering, de nog steeds bestaande Porte Saint-Denis. Hierin werden de Latijnse woorden gebeiteld die op de voorpagina van dit onderzoek staan (vrij vertaald: Dat hij Maastricht in dertien dagen tijd heeft ingenomen). Maastricht is in haar historie diverse malen belegerd, maar het beleg van 1673 is, in militair opzicht althans, wellicht het beroemdst. Het beleg is onlosmakelijk verbonden met de naam Sebastien LePrestre de Vauban. Over het algemeen wordt er vanuit gegaan dat de stad zo snel in Franse handen viel dankzij Vauban's nieuwe manier van belegeren. Vauban bedacht een systeem dat eeuwen later nog steeds gold als de beste manier om een vesting te belegeren en voor Maastricht werd dit voor het eerst in de praktijk gebracht.