vaandels.jpg

Na 1840 was de rol als actieve militair van prins Frederik uitgespeeld, en veranderde die in een van militair bestuurder. Veelal wordt aangenomen dat hij in de jaren tot aan zijn dood nog een belangrijke rol speelde op het gebied van de militaire beleidsbepaling en defensiepolitiek. In zijn studie Minderende monarchaal en mystieke magistraat zet dhr. Sietsma daar de nodige vraagtekens bij en plaatst een genuanceerder beeld. Dit doet hij o.a. door de rol van de prins te bespreken als adviseur in het Comité van Defensie, en aan de lessen die geleerd worden voor het Nederlandse leger uit de Krimoorlog en de Deens-Duitse oorlogen. Echter ook aan de hand van de toenemende Pruisische dreiging, en de rol hierin voor de crisis rondom Luxemburg en de kwestie Limburg als onderdeel van de Duitse Bond.

In zijn samenvatting schrijft dhr. Sietsma zelf: "Vaak wordt beweerd dat prins Frederik in de jaren ’60 van de 19de eeuw een grote rol achter de schermen heeft gespeeld in de buitenlandse politiek van Nederland. Gezien zijn relaties met verschillende Europese hoven, is het aan te nemen dat hij inderdaad zijn invloed heeft kunnen uitoefenen op bijvoorbeeld de Pruisische koning en de Russische tsaar, al was het maar om te bemiddelen of gemoederen tot bedaren te brengen. Niet alleen het gebrek van referenties in de recente literatuur, maar ook het ontbreken van reisverslagen en de uitvoerige briefwisseling tussen prins Frederik en koning Wilhelm I, leidt ertoe dat het te voorbarig is om te stellen dat de prins toentertijd grote politieke invloed, dan wel een voorname rol had in de diplomatie."

Prins Willem Frederik Karel (1797-1881) was als tweede zoon van koning Willem I gedurende de 19e eeuw een invloedrijk man, die ook bij vele militaire kwesties betrokken was als actief militair en bestuurder. Zo werd hij al in Berlijn tijdens zijn opvoeding de finesses van het militair bedrijf bijgebracht door de Duitse militair Carl von Clausewitz, vocht hij in 1813 mee in de Volkerenslag, nam deel in 1815 aan de veldtocht tegen Napoleon en streed mee in de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen. Van 1826 tot 1829 was hij Minister van Oorlog, en in 1829 volgde de benoeming tot de rang van admiraal.

In zijn studie Van bufferstaat tot neutraliteit uit 2012 bekijkt dhr. Sterkenburgh middels de prins naar de veranderende politiek-militaire strategie van Nederland, de rol van het land in het post-1815 Europese landschap, zijn eigen militaire carrière, en dit alles over de periode 1813-1840.

In 2012 publiceerde dhr. F.F. Sterkenburgh zijn masterscriptie (Universiteit van Amsterdam), getiteld Van bufferstaat tot neutraliteit: of, de militaire carrière van Prins Frederik der Nederlanden, 1813-1840.

Voor de jaren na 1840 zullen wij binnenkort hier op deze website in de rubriek Recent Onderzoek nog een andere studie aanbieden.

Wanneer de Rus de NAVO zou aanvallen, dan zou de strijd onder andere in Duitsland worden uitgevochten met conventionele oorlogsmiddelen. Naast de nucleaire dreiging! Aan die voorgenomen strijd zou ook het 1 Nederlandse Legerkorps deelnemen. Waar kort na het uitbreken van de Koude oorlog deze verdediging nog uitging van het houden van alle grond ten koste van alles, werd later in 1968 het strategische concept van de flexible defence ingevoerd. Hierover gaat de studie van dhr. Wienen, getiteld Voorbereid op een verloren vijand. Het is inmiddels bijna 30 jaar geleden dat de Koude Oorlog eindigde, en dus is dit inmiddels ook onderdeel van de Nederlandse militaire geschiedenis.

In zijn inleiding schrijft Wienen o.a.: "Ook Nederland, dat van meet af aan deel uitmaakte van de NAVO, speelde een rol in de verdediging tegen de Sovjetdreiging. Gedurende de Koude Oorlog had de NAVO zich op verschillende manieren tegen de dreiging uit het Oosten gewapend. Door de jaren heen werd de verdediging van West-Europa op basis van verschillende strategieën ingericht. Het Eerste Nederlandse (1 (NL)) Legerkorps had in het geval van een aanval door het Warschaupact de taak Nederland en een deel van het Noord-Duitse grondgebied te verdedigen. In politiek Den Haag werd in diezelfde periode druk beraad gepleegd over de taken van en het budget voor de Nederlandse krijgsmacht. De verschillende niveaus van militair optreden liepen veelal door elkaar heen, des te meer omdat het Nederlandse defensiebeleid in de bondgenootschappelijke strategie diende te passen. De uitvoering van deze strategie door de troepen van 1 (NL) Legerkorps en de wisselwerking tussen de verschillende niveaus van militair optreden, evenals de dynamiek tussen de defensiebegroting en de behoeftestelling van de Nederlandse legerleiding, staat in dit werk centraal."

In hun zeer uitgebreide en enorm boeiende studie Niet voor God en niet voor het Vaderland geven de auteurs Blom en Stelling een beeld van toenemend verzet onder de gemobiliseerde Nederlandse troepen, en ook binnen de marine en in Nederlands-Indië. Zeker een interessant stuk sociale geschiedenis, en zeker ook niet te vergeten militaire geschiedenis.

In de inleiding schrijven ze o.a.:

Tussen augustus 1914 en november 1918 deed zich in Nederland een unieke situatie voor. Gemiddeld meer dan 200.000 mannen waren permanent van huis en haard verwijderd om te dienen in de Nederlandse krijgsmacht. Niet om te vechten, maar om, volgens de Nederlandse regering, de neutraliteit te handhaven. Terwijl andere neutrale landen als Denemarken en Zwitserland na verloop van tijd hun troepen gedeeltelijk demobiliseerden, hield Nederland zijn krijgsmacht op volle sterkte. Wij hebben geen vergelijkbaar voorbeeld in de geschiedenis kunnen vinden van een land dat dit presteerde. En wat dreigde het uit de hand te lopen! Aan het eind van de mobilisatie was het zover gekomen dat soldaten een kazerne plat brandden, dat het in heel veel plaatsen tot onrust en muiterij kwam en dat militairen revolutionaire vergaderingen en demonstraties bijwoonden. 

In 2004 publiceerden Blom en Stelling hun PhD thesis in vier delen (Universiteit van Amsterdam), getiteld Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van '14-'18.

Niks is zo ernstig als wanneer soldaten in opstand komen. Eind 1918 gebeurde dat ook in het Nederlandse leger op de Harskamp. Daarover schreef mevr. Pors de studie Het leger in opstand? Hoe internationale en nationale spanning aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, de Harskamprellen belangrijk maakte.

Ter inleiding schrijft zei:

In de literatuur over Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt nauwelijks aandacht besteed aan de Harskampmuiterij. Vreemd, want deze opstand werd door de voorman van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) P.J. Troelstra beschouwd als het begin van de Rode Revolutie in Nederland. Hoewel de revolutie niet van de grond kwam, wordt deze wel beschouwd als belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis en is zelfs opgenomen in de Nationale Canon van historische gebeurtenissen. Op vrijdag 25 en zaterdag 26 oktober 1918 kwamen de al vier jaar gemobiliseerde soldaten op legerplaats De Harskamp in opstand vanwege het plotselinge intrekken van alle verloven. Na veel gemopper en grote woorden vlogen op de avond van 26 oktober de stenen door de lucht, gingen barakken in vlammen op en ontstond er een chaotische en beangstigende situatie. Toch was de opstand de volgende dag onder controle, maar niet alleen in de Harskamp was het onrustig, ook in andere plaatsten waar gemobiliseerde troepen gelegerd waren, zoals in Amersfoort en Zwolle, vonden rellen plaats.