tank.jpg

Koning Lodewijk XIV stelde alles in het werk om binnen korte tijd de vesting Maastricht te veroveren. Om zijn doel te bereiken nam hij zijn beroemde vestingbouwer en belegeringsdeskundige Sebastien LePrestre de Vauban mee op veldtocht. In slechts dertien dagen viel de Staatse vesting in Franse handen, en werd daarmee een schoolvoorbeeld voor de komende honderden jaren, hoe een vijandelijke vesting in te nemen.

Maastricht als vestingstad heeft al meermalen hier op onze website aandacht gekregen, en met de volgende studie sluiten we voorlopig dit onderwerp af. Nu dus aandacht voor de studie van dhr. Colijn, getiteld Sebastien LePrestre de Vauban en het beleg van Maastricht in 1673.

Aankomst van Lodewijk XIV in het legerkamp voor Maastricht (door Adam Frans van der Meulen, detail, ca. 1675, Louvre museum)

In zijn studie schrijft Colijn in de inleiding: Op 5 juni 1673 verscheen de voorhoede van een Frans leger voor de poorten van de meest vooruitgeschoven vesting van de Republiek, Maastricht. Ondanks haar faam als zeer sterke vesting wisten de Fransen de stad binnen enkele weken in te nemen. De vreugde hierom was dusdanig dat Lodewijk XIV, die het opperbevel over het Franse leger voerde, in Parijs een triomfboog liet oprichten ter herinnering aan de verovering, de nog steeds bestaande Porte Saint-Denis. Hierin werden de Latijnse woorden gebeiteld die op de voorpagina van dit onderzoek staan (vrij vertaald: Dat hij Maastricht in dertien dagen tijd heeft ingenomen). Maastricht is in haar historie diverse malen belegerd, maar het beleg van 1673 is, in militair opzicht althans, wellicht het beroemdst. Het beleg is onlosmakelijk verbonden met de naam Sebastien LePrestre de Vauban. Over het algemeen wordt er vanuit gegaan dat de stad zo snel in Franse handen viel dankzij Vauban's nieuwe manier van belegeren. Vauban bedacht een systeem dat eeuwen later nog steeds gold als de beste manier om een vesting te belegeren en voor Maastricht werd dit voor het eerst in de praktijk gebracht.

Kort na het uitbreken van de Belgische onafhankelijkheidsstrijd in 1830 namen Belgische troepen de gehele provincie Limburg in, behalve de vestingstad Maastricht. Deze werd vervolgens volledig omsingeld en wist gedurende drie jaar achtereen stand te houden onder leiding van generaal Dibbits. Over dit beleg is vrij weinig verschenen, in vergelijking tot de geheroïseerde strijd rondom de Citadel van Antwerpen onder generaal Chassé.

Aangezien in het komende nummer van Mars et Historia aandacht besteed wordt aan de Belgische Opstand middels de vrijwillige jagers uit Utrecht, en ook omdat we al een tijdje publiceren hier over de vesting Maastricht door de eeuwen heen, is het de hoogste tijd hier verandering in te brengen. In zijn proefschrift Limburg op de tweesprong besteedt de historicus dhr. Verbeet ruime aandacht aan de blokkade van de stad, en vind je er ook al informatie over de krijgsperiode 1814-15.

Al tijdens de Tweede Wereldoorlog werd er na de overgave aan Japan al meteen in hoge regeringskringen nagedacht hoe het KNIL na een overwinning weer opnieuw moest worden opgericht. Welke onderdelen moesten er deel van uitmaken, hoe stonden de Geallieerde partners hier tegenover, welke keuzes kon de Nederlandse regering maken? En bovenal hoe stonden KNIL militairen zelf tegenover deze vraag om het KNIL leger weer op te richten?

In haar Engelstalige studie Mismanaging expectations: Dutch plans for re-establishment of the KNIL, 1942-1946, beschrijft mevr. Van der Kloet uitgebreid over dit onderwerp.

In haar introductie schrijft zij: This thesis deals with the Dutch governmental plans for re-establishment of the Dutch colonial army in the Netherlands East Indies, the Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) after the Second World War would have ended. These plans were made between 1942 and 1945, when Japan occupied the Netherlands East Indies. After the Japanese surrender on 15 August 1945, Dutch preparations turned out to be insufficient, because of the different expectations the Dutch government had about the possibilities of the colonial soldiers than what they were capable of in reality.

Parthesius studie Dutch ships in tropical waters is van enorm belang om ons te realiseren welke grote en uiteenlopende vloot de VOC in Azië over de jaren heen wist samen te stellen. Daarbij identificeert hij ook een groot aantal type schepen die voor maritieme oorlogsvoering ingezet konden worden.

Het uitzeilen van een aantal Oost-Indiëvaarders (door Hendrick Cornelis Vroom, 1600)

 

Robert Parthesius brengt de scheepvaart en handel van de VOC volledig in kaart. Hij toont aan dat de intra-Aziatische handel sleutel was tot het succes van de maatschappij in de zeventiende eeuw. Met dit boek rekent Robert Parthesius af met het bestaande beeld van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Parthesius reconstrueert tot in detail de grootte en de activiteiten van de maatschappij. Hij toont aan dat het aantal schepen onder bevel van de VOC minstens twee keer zo groot was als tot nu toe gedacht. Voorheen is vooral onderzoek gedaan naar het scheepvaartverkeer tussen Azië en Europa, de zogenaamde 'Retourvaart'. Parthesius keek verder dan deze retourvaart en analyseerde de ontwikkeling van het Nederlandse scheepvaartnetwerk in Azië van 1595 tot 1660. Voor deze studie verzamelde hij alle gegevens over VOC-schepen in een database. Zo bracht hij de scheepsroutes van de fregatten maar ook die van de kleinere schepen uitgebreid in kaart. Door de intra-Aziatische handel in de zeventiende eeuw en door de diversiteit aan schepen kon de VOC het hele jaar door varen en streefde zo concurrerende maatschappijen als die van de Portugezen voorbij. Dutch Ships in Tropical Waters is een unieke combinatie van maritiem en sociaal-historisch onderzoek. Dit boek verandert onze kijk op de commerciële dynamiek van de meest succesvolle organisatie in de zeventiende eeuw.

Dit alles is terug te vinden in het online te raadplegen boek van Parthesius: Dutch ships in tropical waters: the development of the Dutch East India Company (VOC) shipping network in Asia 1595-1660.

Al vrij vroeg tijdens de diverse campagnes die tezamen bekend staan als de Atjeh oorlog, pasten de Nederlandse strijdkrachten een almaar groeiende vorm van geweld toe om controle te krijgen over het sultanaat van Atjeh, gelegen op het noordelijke Sumatra. Hierbij werd de burgerbevolking niet ontzien. De toepassing van diverse methodes resulteerde zelfs binnen het Nederlandse offcierskorps tot felle discussies, die aan de orde komen in de studie van dhr. Prieckaerts getiteld Excessief geweld tijdens de Atjeh-oorlog.

In zijn inleiding schrijft Prieckaerts: "Het is spijtig dat er niet meer aandacht is voor deze oorlog, want de Atjeh-oorlog is niet alleen een van de langdurigste oorlogen geweest in de Nederlandse militaire geschiedenis, maar ook een oorlog die omgeven is door controverses. De bekendste controverse is wel die onder historici, met name uit het laatste deel van de twintigste eeuw, over de tactieken en methodes uit de laatste periode van de Atjeh-oorlog. Generaal J.B. van Heutsz is in deze controverse meestal de centrale figuur. Hij voerde de contraguerrilla in om de Atjeeërs te bestrijden, waardoor de strijd escaleerde, maar ook uiteindelijk de oorlog beëindigd werd. Onder zijn opperbevel werden meerdere kampongs uitgemoord."