infanterie.jpg

Welke beeldvorming kreeg de Nederlandse burgerbevolking gepresenteerd gedurende de Brits-Russische invasie van Noordholland in 1799, toen de Bataafse republiek werd aangevallen als een van de strijdtonelen van de Tweede Coalitie oorlogen? Met de Engelsen was men redelijkerwijs wel bekend, maar hoe zat het met die vreemde Russen!

Hierover schreef dhr. Van Koningsbrugge een studie, waar in de inleiding o.a. het volgende naar voren komt: "In de slag bij Bergen, die op 19 september plaatsvond, leed het Engels-Russisch leger echter een nederlaag. Hoewel de invaller op 2 en 3 oktober een succesvolle aanval ondernam op de stellingen van het Frans-Bataafse leger, wist geen van beide partijen een doorbraak te forceren. Nadat het Engels-Russische leger op 6 oktober in de slag bij Castricum andermaal was verslagen werden onderhandelingen tussen de strijdende partijen aangeknoopt. Op 18 oktober werd een wapenstilstand gesloten en in de maand daarop verliet het Engels-Russische leger voorgoed het grondgebied van de Bataafse Republiek. Tijdens deze roerige maanden waren de inwoners van de Bataafse Republiek in staat om zich een beeld te vormen van de Russische soldaten. Dit beeld vormt het hoofdonderwerp van deze scriptie."

Door Peter C. Boer (tekst © P.C. Boer)

Illustraties Bert van den Broeke (© B. v.d. Broeke/P.C. Boer)

Inleiding 

Direct voorafgaand aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Europa voerden de vliegtuigen van het Wapen der Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (ML/KNIL, toen nog geen Wapen maar een Afdeling) een ratjetoe aan camouflage-kleuren en –schema’s of zelfs helemaal geen camouflagekleuren. Zo waren bijvoorbeeld de rompen van de Fokker C.10 verkenners “khaki” (een vrij donker groen, “best match” FS 24098), die van de Koolhoven FK.51 lesvliegtuigen “camouflage-bruin” (een soort, ook in Nederland op lesvliegtuigen gebruikt, chocoladebruin, “best match” FS 20117) en waren de rompen van de Glenn Martin B-10  bommenwerpers lichtblauw en de vleugels geel zoals bij het U.S. Army Air Corps (USAAC). Wel hield de ML al in 1938 een voorraad “camouflage-groene” verf en dope aan, om in tijden van oplopende spanning de bommenwerpers te kunnen camoufleren. Deze kleur zou, zoals hierna zal worden uiteengezet, in 1940 een van de standaard camouflagekleuren op de operationele vliegtuigen van de ML worden. De operationele vloot van de ML, toen nog volop in opbouw, bestond in het najaar van 1939 uitsluitend nog uit Glenn Martin B-10 bommenwerpers en wel van vier verschillende subtypes (WH-1, -2, -3 en 3A).  Pas in juli 1940 formeerde de ML op Andir een eerste afdeling jachtvliegtuigen met de eerste uit de V.S. ontvangen Curtiss H-75A-7 Hawks.

 

Twee nieuw opgebouwde Curtiss H-75A-7 Hawks gefotografeerd bij de Technische Dienst van de ML te Andir in juli 1940. Op de achtergrond staan twee Glenn Martin WH-2 bommenwerpers (officiële ML-foto, via G.J. Casius)

Toen in het najaar van 1939 de Tweede Wereldoorlog in Europa daadwerkelijk losbarstte, kocht de ML/KNIL extra “camouflage-groene” verf en dope in om alle operationele vliegtuigen in tijden van oplopende spanning en buitengewone omstandigheden op een zinvolle wijze te kunnen camoufleren. Voorlopig bleef de camouflageverf en dope echter nog in opslag. [1] De kleur “camouflage-groen” betrof in feite de al langere tijd bestaande olijfgroene camouflageverf die ook op alle voertuigen, geschut etc. van het KNIL was te vinden. Deze kleur was door het KNIL zelf door middel van veldexperimenten ontwikkeld en was een duidelijk andere kleur dan het hiervoor genoemde “khaki”. De door de ML gebruikte matte vliegtuigverf en dope in de kleur “camouflage-groen” werd door het KNIL via een handelsfirma op Java besteld in de V.S. bij de firma DuPont. Hoe deze kleur er precies uitzag, wordt eveneens hierna beschreven. [2]  

Wie had gedacht na drie Engelse oorlogen dat met het beklimmen van de Engelse troon in 1688 door stadhouder Willem III, er een verregaande samenwerking tot stand zou komen tussen beide landen. En waarin beide vloten en legers tot op zekere hoogte samensmolten, om de Franse hegemonie in Europa dwars te zitten. Dat is precies het onderwerp van dhr. Leferink op Reinink's studie Oranje boven?!

Zeeslag in de Baai van Vigo, 1702 (© Rijksmuseum, Amsterdam)

In zijn inleiding schrijft de auteur: "In 1688 echter trouwde Willem III van Oranje met Mary II (House of Stuart). Hij werd door protestantse Engelsen gevraagd of hij de troon in Engeland zou willen bestijgen ten koste van de toenmalige katholieke koning Jakobus II om zodoende de protestantse religie voor Engeland te waarborgen. In de ‘Glorious Revolution’ slaagde Willem III hier dan ook in en werd tot koning van Engeland gekroond. Op dit moment was hij dus zowel stadhouder van de Republiek als koning van Engeland vandaar zijn titel ‘koning-stadhouder’.  Er werd besloten de beide vloten (en legers) samen te voegen tot één gecombineerde vloot dat tot doel had de belangen van beide naties te waarborgen en gezamenlijk tegen de koning van Frankrijk Lodewijk XIV op te trekken. Dit zou natuurlijk niet over een nacht ijs gaan..."                

Halverwege de 18e eeuw is de maritieme macht van de Nederlandse republiek geen schim meer van wat het honderd jaar ervoor was in de Gouden Eeuw, met zeehelden als De Ruyter, Tromp, en een offensieve kracht om overal op de zeeën slagen in het voordeel te beslissen. Uiteraard was men daar midden in de 18e eeuw niet tevreden mee, zoals een plan voor wederopbouw toont van admiraal Schrijver. Deze wilde de vloot weer laten meedoen als wereldmacht, en positieve technische voorbeelden uit Engeland en Frankrijk gebruiken hiertoe. Landen die halverwege de 18e eeuw nog wel tot de maritieme wereldmachten behoorden. Hierover schrijft de historicus dhr. Gijs Rommelse in ons 4e nummer van het kwartaalblad Mars et Historia, in zijn artikel Vlootherstel en Nederlanderschap in de achttiende eeuw.

Scheepsmodel van de William Rex, voorbeeld van een Nederlands groot oorlogsschip met 74 kanonnen eind 17e eeuw, gemaakt in 1698 (© Rijkmuseum, Amsterdam)

Maar wanneer was dan de achteruitgang ingezet van de Nederlandse vloot als wereldmacht? En hoe dan, en waarom? Dat proces blijkt al in gang gezet te zijn gedurende de Spaanse Successieoorlog (1701-1713), en wordt behandeld in de studie van dhr. Le Comte. In diens samenvatting schrijft hij: "De Republiek was in de 17e eeuw een leidende zeemogendheid in Europa. Maar na de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) telde ze in maritiem opzicht niet meer mee. Hoe heeft deze omslag kunnen plaatsvinden? In de scriptie wordt een onderzoek gepresenteerd naar de neergang van de Nederlandse marine in het tijdvak 1688-1713. Er is kwantitatief onderzoek verricht naar de omvang van de vloot, de investeringen en de verliezen."

De Atjehoorlog (1873-1914) die in het noorden van het eiland Sumatra woedde, kan omschreven worden als het meest bloedige en langdurigste conflict dat Nederland heeft uitgevochten, en waarin menig dieptepunt werd bereikt in deze koloniale strijd. Al tijdens dit conflict stelden vele Nederlandse militairen zich vragen erover, op basis van hun ervaringen. Deze zijn nu verwoord in ons meest recente nummer van het kwartaalblad (Nummer 4, 2018) door mevr. Maas in haar artikel Voilà la guerre.

Dit artikel is gebaseerd op haar gelijknamige studie die al in 2016 verscheen, waarbij ze in de samenvatting het volgende schrijft: "Deze scriptie gaat over de persoonlijke ervaringen van militairen uit de Atjeh-oorlog. Als interpretatiekader is het onderzoek van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari gebruikt. Eén van zijn belangrijkste conclusies was dat militairen zich al ruim voor de Eerste Wereldoorlog bewust waren van de impact die een oorlog had op hun persoonlijke ontwikkeling."