medailles.jpg

Al vrij vroeg tijdens de diverse campagnes die tezamen bekend staan als de Atjeh oorlog, pasten de Nederlandse strijdkrachten een almaar groeiende vorm van geweld toe om controle te krijgen over het sultanaat van Atjeh, gelegen op het noordelijke Sumatra. Hierbij werd de burgerbevolking niet ontzien. De toepassing van diverse methodes resulteerde zelfs binnen het Nederlandse offcierskorps tot felle discussies, die aan de orde komen in de studie van dhr. Prieckaerts getiteld Excessief geweld tijdens de Atjeh-oorlog.

In zijn inleiding schrijft Prieckaerts: "Het is spijtig dat er niet meer aandacht is voor deze oorlog, want de Atjeh-oorlog is niet alleen een van de langdurigste oorlogen geweest in de Nederlandse militaire geschiedenis, maar ook een oorlog die omgeven is door controverses. De bekendste controverse is wel die onder historici, met name uit het laatste deel van de twintigste eeuw, over de tactieken en methodes uit de laatste periode van de Atjeh-oorlog. Generaal J.B. van Heutsz is in deze controverse meestal de centrale figuur. Hij voerde de contraguerrilla in om de Atjeeërs te bestrijden, waardoor de strijd escaleerde, maar ook uiteindelijk de oorlog beëindigd werd. Onder zijn opperbevel werden meerdere kampongs uitgemoord."

 

Gedurende de opmars van Pichegru's revolutionaire legermacht door het Staatse Brabant werden her en der kampen opgezet door de troepeneenheden. Archeologische opgravingen rondom de stad Eindhoven en de Brabantse dorpen Aalst en Waalre laten in twee hier gepubliceerde artikelen meer zien over deze vondsten en de geschiedenis erachter.

In het voormalige jaarboek Armamentarium (Nr. 49, 2014-15) van het Legermuseum schreef dhr. Van der Veen het online artikel: 'Au camp d'Eyndhoven': archeologie en geschiedenis van een Frans legerkamp.

In het blad Archeobrief schreef dezelfde Van der Veen het volgende artikel: De archeologie van een Frans legerkamp.

Gedurende het bestaan van de Verenigde Republiek der Zeven Provinciën werden er door de Staten-Generaal talloze blijken van waardering uitgegeven naar aanleiding van speciale (militaire) overwinningen en bijzonderheden. In zijn studie Present van Staat presenteert de auteur dhr. George Sanders een werkelijk magnifiek overzicht van alle ketens, kettingen en medailles, die in deze periode zijn uitgereikt, inclusief een kort stuk over de periode van de Bataafse Republiek.

 

In zijn inleiding schrijft Sanders: "Al vanaf het begin schonk de Republiek der Verenigde Nederlanden vereringen. Aan buitenlandse gezanten die na een langdurig verblijf in de Republiek huiswaarts keerden, aan inwoners van de verbonden gewesten die zich door bijzondere daden verdienstelijk hadden gemaakt en aan degenen die belangrijke berichten overbrachten. Het zijn deze door de Staten-Generaal verleende vereringen die het onderwerp van deze studie vormen. Maar het onderwerp is nog in engere zin af te bakenen. In het begin konden de door de Staten-Generaal gegeven beloningen verschillende vormen aannemen: soms werd een som geld geschonken, zoals het zogenaamde ‘bodenbrood’ dat werd uitgekeerd aan de boodschapper die als eerste een belangrijk bericht overbracht. Maar vereringen konden ook bestaan uit schitterende kunstvoorwerpen, zoals kostbare tapijten, prachtig vaatwerk uitgevoerd in goud, zilver of verguld metaal, schilderijen en zeldzame schelpen. En geregeld werden ook paarden als verering geschonken. Maar na het eerste kwart van de zeventiende eeuw werden de gouden ketting, de gouden medaille of de combinatie van beide het standaard geschenk van de Hoog Mogende Heren, zozeer zelfs dat men deze op den duur aan ging duiden als het ‘ordinaris present’. In engere zin is het dit door de Staten-Generaal vereerde ‘ordinaris present’ in de vorm van gouden ketens, kettingen en medailles, dat het onderwerp van deze studie uitmaakt."

Kunst en vliegwerk

Personeel en organisatie bij de twee vooroorlogse Indische militaire luchtvaartdiensten

Door drs. Anne C. Tjepkema

Rond 1937 telde de Luchtvaartafdeling (LA) van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (vanaf 1939 het Wapen der Militaire Luchtvaart oftewel ML) zo’n 70 vliegtuigen, merendeels lesvliegtuigen en weinig gespecialiseerde types. Medio 1940 stond de teller op bijna 200. Ten tijde van de Japanse inval in Nederlands-Indië was het aantal opgelopen tot bijna 370: bommenwerpers, 3 types jachtvliegtuigen, verkenningsvliegtuigen alsmede transport-, les- en overgangsvliegtuigen. Het aantal voorziene vliegtuigen eind 1941 lag nog hoger. Echter, meer dan 500 bestelde vliegtuigen bereikten niet of niet tijdig hun bestemming. Een deel daarvan was bedoeld bestaande types te vervangen, zoals de B-10[1] door de B-25, een ander deel was bestemd voor een nieuwe rol, zoals 162 duikbommenwerpers. Bij de Marineluchtvaartdienst (MLD) was de groei minder spectaculair, daar verdubbelde het totaal aan toestellen van ca 70 in 1936 in vijf jaar tijd. Zo was het aantal vliegboten gestegen van 40 naar 70; verder waren de opleidingen vanuit het bezette Nederland naar Soerabaja overgeheveld, wat aanleiding was voor de verwerving van een nieuwe vloot opleidingsvliegtuigen. Ook daalde het onbemande reservebestand aan vliegtuigen van 100% tot minder dan de helft, waardoor de behoefte aan bemanningen opliep.

Zo begint het artikel van dhr. Tjepkema, waarvan in nummer 1 van de jaargang 2018 in ons kwartaalblad Mars et Historia het eerste deel nu is verschenen. In een uitgebreide en rijk geïllustreerde versie publiceren wij hier de volledige 2 delen mèt extra informatie in pdf-formaat om te downloaden: Kunst en vliegwerk.

 

 

In 1890 werd de Koloniale Reserve opgericht om te zorgen voor een betere werving en selectie van manschappen voor het KNIL. Daarnaast moest deze nieuwe organisatie zorgen voor een betere opvang van gepensioneerde koloniale soldaten en officieren, en daar bovenop moest het gehele aanzien van de koloniale soldaat verbeterd worden. Die stond er namelijk niet goed voor ten tijde van de voorganger, het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk. Hoe keek de Nijmeegse pers, waar de Koloniale Reserve werd gelegerd, tegen deze organisatie en de manschappen aan?

In zijn studie schrijft dhr. Bosschaart het volgende: "De vraag die tot op heden onbeantwoord blijft in de literatuur is of de beeldvorming over de Koloniale Reserve in Nijmegen veranderde in de periode 1890-1940. Hiernaar is nog geen kwantitatief en kwalitatief krantenonderzoek gedaan, waardoor er een lacune bestaat binnen de (wetenschappelijke) literatuur. Reden te meer om te achterhalen hoe hierover in Nijmegen door de katholieke De Gelderlander en de protestantse Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant (PGNC) werd geschreven. De vraag die centraal zal staan in deze scriptie is dan ook: In hoeverre veranderde de beeldvorming over de Koloniale Reserve in Nijmegen in de periode 1890-1940? Met beeldvorming worden in dit geval de mentale voorstellingen of denkbeelden bedoeld die er over het korps bestonden. Het beeld van de Koloniale Reserve was dat van een verbetering in de werving en opleiding van de koloniale militairen, waardoor zowel hun fysiek als moreel zou verbeteren. Dat dit in de beginperiode nog niet helemaal van de grond kwam, blijkt uit de krantenberichten waarin de militairen van de Koloniale Reserve als ‘misdadigers’ worden gezien. Dit beeld veranderde volgens de literatuur in de loop der tijd doordat er steeds strengere rekruteringscriteria werden gehanteerd en de samenstelling van het korps veranderde."