vliegtuigen.jpg

Het laatste decennium is er binnen de archeologie een nieuwe expertise ontstaan, namelijk de conflictarcheologie. Hier werd en wordt tot voor kort vooral gezocht naar bodemvondsten (als militair cultureel erfgoed) van de Tweede Wereldoorlog. Hoe verhouden die vondsten zich tot de al reeds uitgebreide andere primaire en secundaire bronnen, zoals egodocumenten, filmbeelden en archiefmateriaal? Geeft het onderzoek een extra dimensie aan wat we toch al zo ruimschoots kennen? Of biedt het veeleer resultaten binnen de herdenkingscultuur?

Er zijn vele vragen te stellen over het fenomeen conflictarcheologie, zoals de betrokken archeologen ook zelf doen. Vandaar dat we hier enkele teksten presenteren, die wat meer algemene achtergrond schetsen bij het georganiseerde bezoek 18 mei a.s. door Mars et Historia aan het voormalige militaire kamp te Rijen ten tijde van de Belgische Opstand (1830-1839).

Foto overgenomen van bureau RAAP (raap.nl)

Conflictarcheologie in Nederland: de potentie van een thematische, diachrone benadering van sporen van oorlog en geweld; door Ruurd Kok e.a.

Conflictarcheologie in Opmars: De opkomst en toekomst van de conflictarcheologie in Nederland; door Kenny Brouwers

Conflictarcheologie vs Slagveldarcheologie; door Jobbe Wijnen

Op 18 mei organiseert Mars et Historia als activiteit een bezoek aan de sporen in het landschap van het voormalige militaire kamp te Rijen. Aanmelden kan tot 3 mei voor iedereen die belangstelling heeft om deel te nemen; ook niet-leden zijn van harte welkom. Informatie over deze activiteit, inclusief programma zijn te vinden op de pagina Activiteiten.

 

In 2017 tijdens de Nationale Archeologiedagen bezocht ik als verenigingslid en webmaster van Mars et Historia samen met een ander lid en tevens goede vriend de recente opgravingen bij het dorpje Austerlitz, waar vanwege de aanstaande bouwwerkzaamheden voor nieuwe woningen er bodemonderzoek met opgravingen werden verricht op het terrein. Logisch, want hier bevond zich ooit een langdurig bestaand militair kampement van zowel Franse- als Nederlandse troepen gedurende de periode van het Koninkrijk Holland (1806-1810). Tijdens dit evenement waren er diverse opgravingen te bewonderen, van voornamelijk het Franse deel van het kampement, die we hier graag als een serie van fotomateriaal presenteren. 

Daarnaast besteden we aandacht aan een artikel uit 2015 van mevr. Van de Venne, waarin al proefsleuven werden gegraven bij dit kampement te Austerlitz, getiteld Aardewerk en bouwkeramiek, in: Austerlitz, Franse kamp. Een legerkamp uit de Napoleontische tijd. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven.

 

Mars et Historia organiseert 18 mei a.s. een vergelijkbaar bezoek aan een voormalig militair kampement te Rijen zo'n 20 jaar later, gedurende de Belgische Opstand en de Tiendaagse Veldtocht uit 1831. Het is dus om die reden interessant om e.e.a. te vergelijken en op in te lezen, wanneer u aan dit evenement wilt deelnemen.

Gedurende het bestaan van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën was de marine opgedeeld in een aantal Admiraliteiten die per kustprovincie georganiseerd werden. Zo ook al bij het ontstaan van de republiek tijdens de Tachtigjarige Oorlog, voor Holland, Friesland... en Zeeland. Voor deze laatste bieden we hier de studie aan van dhr. Vandenberghe De Zeeuwse maritieme oorlogsvloot. In deze geschiedenis wordt op velerlei vlakken ingegaan op de rol van de Zeeuwse oorlogsvloot tijdens de opstand tegen Spanje.

De zeeslag bij Sluis in 1603, door Andries Eertvelt

In zijn inleiding schrijft Vandenberghe: "Welke rol speelde de vloot als machtsinstrument voor de Republiek? Hoe werden de belangen van Zeeland hierin behartigd? In de eerste plaats diende de oorlogsvloot ter bescherming van de Zeven Provinciën. De organisatie en het eigenlijk uitvoerend beleid gebeurde door de Admiraliteit. Deze instelling had enkele prominente taken die beter moeten worden toegelicht. De economische bescherming van de Republiek was één van de fundamenten om de statenbond beter te doen functioneren. Daarom voerde de Admiraliteit de controle van de handel uit door middel van invoer- en uitvoerrechten. Een tweede methode tot handelsbescherming was het behouden van de blokkadevloot tegen de Vlaamse havens. Daarnaast vaardigde de instelling ook bevelen uit tot konvooieren van schepen. [...]  Wat waren de voornaamste beslissingen van de Zeeuwse Admiraliteit tussen 1585 en 1609? In welke mate hadden de financiële inkomsten een impact op het bedrijf van de oorlogsvloot? Hoe werden de verschillende uitgaven besteed tot het creëren van een uitgebreide oorlogsvloot in de verschillende vlootbasissen van Zeeland?"

Men zou bijna vergeten dat gedurende de jaren dat Nederland probeerde de Indonesische kolonie wederom onder haar gezag te krijgen, dat de Koninklijke Marine ook deelnam aan deze strijd. Rondom het territoriale gebied van de Republiek Indonesië werd een effectieve zeeblokkade opgelegd. Dit had zeker gevolgen voor haar aanvoerlijnen die onderzocht worden in de studie De Republiek in een wurggreep van dhr. Hoekstra. Ook kijkt hij nader naar het maritieme beleid van Nederland in deze kwestie.

Voor zijn studie ontving dhr. Hoekstra onlangs de J.R. Bruijn scriptieprijs 2019 van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis.

In zijn inleiding schrijft Hoekstra o.a.: "Er zijn goede verklaringen voor de achtergestelde rol van de zeestrijdkrachten in het historische corpus over de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië. Numeriek gezien maakte het personeel van de marine maar een klein deel uit van de Nederlandse strijdkrachten in de archipel. Van de 200.000 militairen die onder Nederlandse vlag vochten, vielen er 14.000 onder het commando van de Koninklijke Marine (KM). Daarvan was grofweg de helft in dienst bij de Mariniersbrigade, die voornamelijk op land actief was. Het marinepersoneel dat op de vloot, aan wal of bij de Marine Luchtvaartdienst (MLD) diende, telde op het hoogtepunt slechts 7.000 militairen, minder dan 5 procent van de totale troepensterkte. Bovendien was de oorlog in Indonesië overwegend een guerrillastrijd die werd gevoerd door infanterie-eenheden...."

Het toenemende gebruik van artillerie om vestingen te belegeren, zorgde er eind 16e eeuw voor dat militaire ingenieurs steeds paraat moesten zijn om de laatste ontwikkelingen en dreigingen te weerstaan. In 2017 schreef dhr. Vos een studie Leermomenten in oorlogstijd over dit onderwerp.

De vesting Breda anno 1590 (zie website Siegmund)

In diens samenvatting schrijft Vos: "In West-Europa leidde de introductie van kruitvuurwapens in de vijftiende eeuw tot een aantal grote veranderingen in de oorlogvoering. Deze veranderingen hadden nog steeds een uitwerking tijdens de Nederlandse Opstand. Dit leidde tot de nodige problemen voor de Nederlandse garnizoenssteden: niet alleen moesten de vestingwerken uitgebreid en gemoderniseerd worden, maar ook de garnizoenen werden steeds groter. Naast hogere kosten bracht dit ook veel praktische problemen met zich mee rondom de huisvesting en bevoorrading van garnizoenssoldaten, de medische zorg en de ordehandhaving. De Republiek en de Habsburgse overheden in de Zuidelijke Nederlanden zochten dan ook naar allerlei oplossingen voor deze nieuwe problemen."