artillerie.jpg

De Geallieerde strategie om de koloniën in Zuidoost-Azië te verdedigen lag geheel rondom het vasthouden van Malakka en Singapore begin 1941. Ook de noordelijke eilanden van Nederlands-Indië werden daarin betrokken, met een grote inzet van troepen van het KNIL, het ML-KNIL (de luchtvaarttak) en de Nederlandse marine. In Australië maakte men zich ondertussen zorgen over een voorwaartse defensie, wanneer een Japanse dreiging en aanval succesvol zou zijn en Singapore zou vallen. Hoe kon dan namelijk nog weerstand geboden worden, als Japanse troepen vrijwel onbeperkte doorgang zouden hebben tot aan Australië, aangezien de Nederlandse verdediging zich dan op het hoofdeiland Java zou concentreren. Na moeilijke onderhandelingen met het Nederlandse (militaire) gezag in Nederlands-Indië konden de Australische strijdkrachten troepen plaatsen op de eilanden Timor en Ambon (luchtstrijdkrachten met landmacht troepen ter ondersteuning en bescherming van de vliegvelden).

De strijd begin februari 1942 om Ambon werd een overrompelend succes voor de Japanse strijdkrachten en betekende het wegvagen van de Australische voorwaartse defensie van het eigen continent. Dit wordt ingrijpend beschreven in een defensie analyse voor de toekomst door dhr. Evans in zijn studie Developing Australia's maritime concept of strategy. Het biedt niet alleen een moderne blik op de defensie, maar juist ook een relatief onbekend stukje militaire geschiedenis van de verdediging van Nederlands-Indië destijds.

In de inleiding schrijft Evans: "The study examines how, with respect to defending Ambon, Australian strategy was hampered by a number of serious problems. These problems included the inherited weaknesses of the Singapore strategy; organisational unreadiness; chronic materiel deficiencies; a lack of balanced and mobile air, sea and land forces; and a command crisis. These challenging issues interacted with other pressures emanating from Allied higher defenceplanning and the need for coalition operations to try to stem the Japanese offensive in the northern archipelagos. [...] The Allied aim was to buy time for the arrival of American air reinforcements into the Pacific theatre. The study suggests that Australia’s military failure on Ambon was the product of a systemic crisis in national defence policy combined with the imperatives of coalition strategy in the Pacific."

Terwijl de Britten en Canadezen in februari 1945 rondom Nijmegen optrekken om Duitsland binnen te trekken, waarover meer in ons recente kwartaalblad, openen direct zuidelijk er van troepen van het 9e Amerikaanse Leger eenzelfde offensief om de rivier de Roer over te steken. Duitse troepen worden uit Roermond en Venlo verdreven.

Hoe waren de Duitse troepen nog in staat om een vorm van verdediging op te werpen op dit moment in de oorlog? Wat waren hun tactieken en de betrokken eenheden? Dat alles wordt duidelijk gemaakt door dhr. Beckers in zijn studie Verzwakte verdediging, waar het wel en wee van de 176. Infanterie Division wordt gevolgd.

In 2013 publiceerde Dwayne Beckers zijn masterscriptie (Universiteit van Amsterdam), getiteld Verzwakte verdediging: een analyse van de Duitse defensieve capaciteiten in de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog aan het Westfront.

Eeuwenlang was het gebruikelijk om tijdens oorlogen buitenlandse soldaten op te nemen in het leger, om de strijd te velde mogelijk te maken. Met de opkomst van de natiestaat halverwege de 19e eeuw werd het echter voor vele staten onwenselijk geacht dat hun ingezeten landgenoten zomaar in dienst konden treden van wellicht een vijandige staat. Niettemin waren er in de eerste helft van de 20e eeuw diverse voorbeelden van Nederlanders die zich toch op vrijwillige basis aansloten bij de strijdende partijen in de Eerste Wereldoorlog, of de Boerenoorlog en de Spaanse burgeroorlog. Al deze Nederlanders kregen te maken met het nieuwe beleid van de Nederlandse staat, waarbij 'vreemde krijgsdienst' verboden werd, zoals te lezen is in de studie De norm tegen vreemde krijgsdienst.

Oud-Spanjestrijders Piet Laros (rechts) en A. Kloostra demonstreren in 1969 op het Binnenhof

In zijn studie gaat dhr. Kok in op alle drie deze conflicten en de deelname er aan van Nederlanders, en schrijft o.a.: "Tussen 1794 en 1938 voerden negenenveertig staten een vorm van permanente juridische controle in om de vreemde krijgsdienst van de eigen bevolking tegen te gaan. Straffen voor wetsovertreding varieerden van boetes tot gevangenisstraffen, en van verbanning tot het verlies van de nationaliteit.  In Nederland werd in 1892 door de regering besloten om ook de internationale norm te gaan hanteren. Als kleine mogendheid, ingeklemd tussen grootmachten, was Nederland ook niet bij machte de norm naast zich neer te leggen."

Hoe keek de Nederlandse samenleving aan tegen de ruim 3000 vrijwilligers uit ons land die na de verloren strijd van paus Pius IX voor het zelfstandige behoud van de Kerkelijke Staat medio 1865 terugkeerden? Italië was nu een eenheidsstaat geworden via de strijd van Garibaldi, en hier in Nederland verschenen honderden mannen terug die nu ontheemd waren door hun vreemde krijgsdienst. Over dit onderwerp schreef dhr. Noordstar zijn studie Held of Vreemdeling? Waren het nu ongewenste vreemdelingen als ex-militair voor de Nederlandse staat, of helden voor de katholieke gemeenschap? Een thema dat in het licht van de (terugkerende) Syrië-uitreizigers zeker actueel is en vanuit andere militair-historische perspectieven bekeken kan worden.

In zijn inleiding schrijft Noordstar: "Tijdens het proces van de eenwording van Italië ontstond een conflict over de kerkelijke bezittingen tussen Garibaldi en Victor Emanuel aan de ene kant en paus Pius IX aan de andere kant. De paus deed hierop in 1858 een oproep aan alle jonge, ongehuwde katholieke mannen om hem te helpen door dienst te nemen in zijn pauselijk leger. Deze oproep vond in Nederland veel gehoor. De legereenheid die deze jonge mannen opving, de Zuavi Pontifici, bestond uit ongeveer 3.181 Nederlanders, 2.950 Fransen, 1.650 Belgen, 750 Italianen, 500 Canadezen, 250 Duitsers, enkele Ieren, Engelsen, Zwitsers, Spanjaarden, Polen, Schotten en een Chinees. Het opvallend grote aantal Nederlandse jongemannen reisde af naar Italië om daar te vechten voor de paus. In Nederland werd deze ontwikkeling met grote interesse gevolgd, zowel door de katholieke gemeenschap als door de overheid. De avonturen van de zouaven verschenen in verschillende kranten en tijdschriften en de zouaven werden door de katholieke achterban gezien als een toonbeeld van dapperheid en heldenmoed. Uiteindelijk bleek hun vechtlust echter tevergeefs. In 1870 viel het doek voor de paus nadat de Franse steun zich had teruggetrokken in verband met de Frans-Duitse oorlog. Niet lang daarna moesten de zouaven zich overgeven en terugkeren naar huis."

Nadat Duitsland zich in november 1918 genoodzaakt zag een algehele wapenstilstand te accepteren in afwachting van een vredesverdrag, was de tot Duitser genaturaliseerde vliegtuigbouwer Anthony Fokker plots zonder werk. Wat te doen? Terug naar Nederland, werd het devies! In 1919 keerde Fokker terug en hij zou tot aan zijn dood met zijn fabrieken en bijzondere ontwerpen van vliegtuigen, voor zowel de civiele- als ook vooral de militaire behoeftes, de Nederlandse markt domineren tot aan de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog.

Luchtvaarthistoricus Dirk Starink schreef n.a.v. 100 jaar Fokker in Nederland een uitgebreide studie over deze periode, waarbij hij in de inleiding o.a.schrijft: "Ondertussen was het Fokker gelukt de Nederlandse markt voor vliegtuigen in handen te krijgen. Tot 1919 bestond die markt alleen uit militaire vliegtuigen, maar in 1919 was dankzij de Eerste Luchtverkeer Tentoonstelling Amsterdam (ELTA) en de oprichting van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij voor Nederland en Koloniën (KLM) ook de burgerluchtvaart op gang gekomen. ELTA-organisator, luitenant Albert Plesman kreeg de leiding over het KLM bedrijf en spoedig werd Fokker ook zijn leverancier van een lange serie verkeersvliegtuigen, waarmee de KLM baanbrekend pionierswerk verrichtte. Tot aan de Tweede Wereldoorlog wist de Fokker fabriek telkens weer – al dan niet met een zekere lobby bij de overheid – haar vliegtuigen te verkopen aan de drie Nederlandse militaire vliegdiensten: van het leger, de marine en het Oost-Indische Leger, het KNIL. Deze laatste had overigens sterk de neiging om in de Verenigde Staten vliegtuigen te kopen en de marine moest van Fokkers vliegboten niets hebben. Het was dus vooral de LVA van het Nederlandse leger dat vrijwel al zijn vliegtuigaankopen bij Fokker (moest) doen."

Lees alles erover in de uitgebreide studie van de voormalig Commandant der Luchtstrijdkrachten dhr. Dirk Starink, getiteld FOKKER 100 JAAR IN NEDERLAND: Hoe Anthony Fokker in 1919 de Nederlandse vliegtuigmarkt veroverde.