medailles.jpg

Naast de gewaagde operatie om alle bruggen in Nederland te veroveren in 1944 door de Geallieerde strijdkrachten (Operation Market Garden), om zo via een achterdeur Duitsland binnen te vallen en welke resulteerde in de alom bekende Slag om Arnhem, waren er ook tegelijkertijd andere offensieven in het zuiden van Nederland. In West-Brabant en Zeeland rukten Polen en Frans-Marokkaanse troepen op. In het centrum bevond zich onder andere de Nederlandse Prinses Irene Brigade, welke uiteindelijk eind oktober de stad Tilburg zou bevrijden.

Bren schutter en infanterist van de brigade tussen Breda en Tilburg (foto overgenomen van de website prinsesirenebrigade.nl)

De heer M. Pijnenburg onderzocht de rol van de Nederlandse brigade in de bevrijding van Tilburg, en schreef in zijn inleiding onder andere:

In deze studie wil ik gaan onderzoeken hoe de bevrijding van de stad Tilburg tussen 24 en 27 oktober 1944 tot stand is gekomen, en in hoeverre de Koninklijke Nederlandse Brigade “Prinses Irene” een hoofdrol heeft vervuld in de bevrijding van de stad. Die vraag hoop ik te kunnen beantwoorden in drie inhoudelijke hoofdstukken. Naast een theoretisch kader, dat nog nader wordt toegelicht, zal ik onderzoeken of de stad Tilburg van enige strategische betekenis was voor de Geallieerde troepen, in hoeverre de aanvallende troepen bij hun krijgsverrichtingen in en om Tilburg hinder hebben ondervonden, en tenslotte wat de rol van de Irenebrigade was in de bevrijding van de stad; was de brigade daadwerkelijk bevrijder van de stad of is dit een naoorlogse veteranenmythe?  

Al deze vragen zal ik beantwoorden in het kader van de wereldberoemde studie van de Pruisische strateeg en generaal Carl von Clausewitz (1780-1831), die na zijn dood met zijn meesterwerk Vom Kriege de wereld heeft veroverd. Een standaardwerk voor de militair strateeg, dat nog nooit eerder op de bevrijding van de stad Tilburg is toegepast. 

In het themanummer van Mars et Historia over de Slag in de Javazee neemt de heer Leebeek (commandeur b.d.) de lezer mee in een uitvoerig en goed onderbouwd artikel over de rol van de luchteenheden tijdens de zeeslag en geeft vele nieuwe inzichten. De heer Leebeek gebruikte onder andere als broninformatie een online artikel van de luchtmacht historicus P.C. de Boer, welke we hier graag beschikbaar willen stellen als extra achtergrond informatie.

De Boer schreef het volgende artikel (als pdf-versie te downloaden): The direct air support during the Battle of the Java Sea, as seen from the allied side.

Curtiss H75A-7Hawk jachtvliegtuigen in formatie boven Cheribon, 1941. Het voorste vliegtuig wordt gevlogen door 1e luitenant Wim Boxman. Het tweede vliegtuig door sergeant vl.wnr. H.J. (Manus) Mulder en het derde door P.C. van Breen. [Foto: collectie R. Vis] 

In het artikel opent De Boer als volgt: After a failed air campaign fought in the period of 18 February up to and including 27 February 1942 the allied forces in Java, former Netherlands East Indies, had only one instrument left to try to prevent a Japanese invasion of Java, the Combined Striking Force (CSF) of the combined allied navies. The battle of the Java Sea between the CSF, a naval squadron consisting of cruisers and destroyers from The Netherlands, United States, United Kingdom and Australia commanded by Rear-Admiral K.W.F.M. Doorman and a Japanese war fleet led by Rear-Admiral Takagi Takeo on 27 February 1942 is well known, as is its outcome. Less well known is the fact that during the larger part of the so-called day fight of the battle the allied air forces of the joint combined Java Air Command (JAC) succeeded in keeping up a local air superiority with 15 fighters from Ngoro in eastern Java. 

 

Nu binnenkort een compleet themanummer uit komt van ons kwartaalblad Mars et Historia over de Slag in de Javazee, is het wellicht wel interessant om eens nader te bekijken wat de Nederlandse defensiepolitiek was voor de toenmalige kolonie Nederlands-Indië. En dan met name de rol van de marine in de verdediging van dit uitgestrekte koloniale rijk.

In 2011 publiceerde Jaap Anten daarover een uitgebreide studie, getiteld "Navalisme nekt onderzeeboot: de invloed van buitenlandse zeestrategieën op de Nederlandse zeestrategie voor de defensie van Nederlands-Indië, 1912-1942".

Britse schepen wijken uit voor Japanse vliegtuig aanvallen.

In zijn voorwoord schreef Anten: "Met het eiland Java verloor Nederland - en achteraf bezien definitief  - zijn belangrijkste kolonie Nederlands-Indië. De Slag in de Javazee was de dramatische nekslag voor de ruim dertig jaar tegen Japan gerichte maritieme defensie om dit verlies te voorkomen. Zoals zovelen verkeerde ik in de veronderstelling dat deze defensie door de Koninklijke Marine vooral een zaak was van enkele kruisers zoals de Java. Toch was er iets wat daarmee niet in overeenstemming was: het grote aantal onderzeeboten destijds. Waarom waren die dan gebouwd? En nog iets: de tacktiek van de Nederlandse onderzeeboten die mondiaal op eenzame hoogte stond. Die kon toch niet toevallig ontstaan zijn?

Waar twee partijen kijven is er ook een duidelijke beeldvorming en weergave voor elke partij. Zo ook voor de militaire strijd die zich afspeelde tijdens de zogenoemde Belgische Opstand, wat op zich al een begripskeuze is vanuit het Nederlandse perspectief.

De Nederlandse bereden artillerie in gevecht te Brussel in september 1830 (schilderij van J. Hoynck van Papendrecht, met dank aan Jacques Bartels)

In de schilderkunst is deze strijd van de Belgen voor onafhankelijkheid dan ook vaak geheel anders weergegeven, dan in die van de Nederlandse kunstenaars. De laatsten leggen vooral in allerlei kunststukken de heroïek vast van de strijdkrachten voor wat uiteindelijk (en juist daarom) een verloren zaak was. De Belgische kunstenaars benadrukken naast de heroïek juist en vooral ook de tragiek en de slachtoffers die vielen voor hun onafhankelijkheid.

Hoe je het ook wilt benaderen, de Belgische kunstweergave is te consulteren via de volgende weblink: Kunst van de Belgische Opstand. De vele voorbeelden zijn in de pdf-tekst vanaf pagina 120 te vinden.

Eenzelfde beeld van de strijd in Brussel vanuit het Belgische perspectief 

Vanuit het militaire aspect mag de strijd van de Belgen voor onafhankelijkheid in 1830 en de opvolgende jaren wellicht nog interessant zijn voor ons Nederlanders die geïnteresseerd zijn in krijgsgeschiedenis, maar over het algemeen is om eigenlijk onverklaarbare redenen dit moment in onze nationale geschiedenis nog nauwelijks een voetnoot waard.

Militairen in een kampement tijdens de Tiendaagse veldtocht (tekening door Gijsbertus Craeyvanger, gedateerd 1831; museum Boymans van Beuningen te Rotterdam)

De historicus Jelmer Rotteveel besteedde hier aandacht aan en schreef onder andere: 

Tussen september 1830 en mei 1839 werd de huidige territoriale omvang van Nederland vastgesteld. Bovendien ontstond uit de afscheiding een nieuwe, onafhankelijke staat: België. Het is opmerkelijk dat een dergelijke ingrijpende gebeurtenis, een cesuur – of, behoudender, een craquelé – in de Nederlandse geschiedenis, geen prominente plaats in het Nederlands collectief geheugen heeft kunnen verwerven. Zelfs de canon van Nederland bevat geen aparte vermelding. Slechts in een korte biografische tekst over Willem I komt de afscheiding kort ter sprake. In 2005 werden in België de gebeurtenissen van honderdvijfenzeventig jaar daarvoor nog door een kleine schare Nederlandse en Belgische historici herdacht. In Nederland lijkt echter in 1981 reeds het doek voor de herdenkingen te zijn gevallen. Toen werd er weinig ruchtbaarheid aan de 150ste verjaardag van de Belgische afscheiding gegeven. De herdenking omhelsde niets meer dan een beperkt aantal publicaties en kleine tentoonstellingen.  

Hoe is dit gebrek aan belangstelling te verklaren? Om de oorsprong daarvan te traceren zal in dit stuk verder in de tijd worden teruggegaan. Peter Rietbergen heeft opgemerkt dat de herinnering aan 1830-32 al vrij snel verloren ging. In elk geval zou de herdenking ervan het fin de siècle nauwelijks hebben overleeft. 

In 2011 schreef dhr. Rotteveel zijn master thesis (Political Culture and National Identities, Universiteit Leiden) over dit onderwerp, en getiteld: De mythe van de ‘Volksgeest’, de herdenkingscultuur rond ‘1831’: de Belgische Afscheiding herdacht (1832-1932)