infanterie.jpg

Wat bewoog een kleine groep uit Nederland afkomstige Joden om in 1948 naar het Midden-Oosten af te reizen en deel te nemen aan de strijd voor een onafhankelijk Israël? Die vraag wordt beantwoord in de studie van mevr. Rijsdijk getiteld Bovenal uit wanhoop en onvrede.

In haar presentatie schrijft Charlotte Rijsdijk: "In deze masterscriptie is geprobeerd te verklaren waarom ruim tachtig Nederlandse Joden ervoor kozen om mee te vechten in de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948. Daarnaast is er onderzocht of de motieven van de Nederlandse Machal afwijken van de vrijwilligers waar eerder onderzoek op gebaseerd is. De volgende hoofdvraag staat daarom centraal in dit onderzoek: waarom gingen Nederlandse vrijwilligers vechten in de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 en hoe wijken hun motieven af van de vrijwilligers afkomstig uit andere, met name geallieerde, landen?"

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was niet alleen directe camouflage van troepen en wapens van belang, maar ook het misleiden van de vijand met valse informatie. Een actieve manier om dit te bereiken werd onder andere door de Britten en Amerikanen gedaan door schijnvliegvelden te bouwen, en opblaasbare tanks en geschut massaal op concentratiegebieden te plaatsen waar vandaan uiteindelijk geen aanval zou worden ondernomen. Al deze activiteiten werden bekend onder de noemer ghost armies. Over dit onderwerp schreef dhr. Hovestad een studie getiteld De Ghost Army en de Tweede Wereldoorlog, waarin hij zich concentreert op de Amerikaanse strijdkrachten. Nu Mars et Historia dit jaar in 2021 55 jaar bestaat als vereniging en een symposium organiseert over het onderwerp camouflage, is dit zeker een onderwerp om aandacht aan te besteden.

In zijn inleiding schrijft Hovestad: "Zowel de Britse premier Winston Churchill als de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt waren erg gecharmeerd van de mogelijkheden van misleiding voor hun legers. Het Britse leger had in 1942 bij El Alamein de Duitse vijand om de tuin weten te leiden met een groot ‘leger’ dummies. Deze misleidingsactie droeg eraan bij dat het Amerikaanse leger steeds meer de potentie van militaire misleiding ging inzien. En dat stimuleerde het Amerikaanse leger om operationele misleiding in het trainingsprogramma op te nemen. Een groep van zo’n 1100 soldaten vormden uiteindelijk in januari 1944 samen de. Deze groep bestond voor een groot deel uit kunstenaars die hun artistieke vaardigheden leerden te gebruiken om de vijand te misleiden. Zoals hiervoor beschreven ontwikkelden de ideeën van het Amerikaanse leger met betrekking tot misleiding zich steeds verder, waardoor ook de Amerikaanse kolonel William H. Harris het nut van misleiding ging inzien en in West-Europa gebruik wilde maken van deze 23rd HQ."

In de tweede helft van de 17e eeuw bevonden zich vele groepen van inlandse krijgers van overal uit de Indische archipel op het eiland Java, die zich verhuurden aan de machtigste vorsten of zelfs aan de VOC, om controle te krijgen over bepaalde gebieden en handel. Deze krijgers waren vaak religieus geïnspireerd of namen een voorbeeld aan heroïsche helden. Hoe dan ook was hun militaire inzet van een hoog niveau en werden ook naast slag- en steekwapens de moderne Europese vuurwapens in de strijd ingezet. Met het Europese kolonialisme van de 19e en begin 20e eeuw werd langzaamaan vergeten dat deze formidabele krijgergroepen er ooit waren geweest, zoals dhr. Kemper beschrijft in zijn studie War-bands on Java.

In zijn introductie schijft Kemper: "What is war to whom? The troops roaming on Java in the late seventeenth century were of all shapes and colours. Some came from Sulawesi, some from Madura; some were religious others acquisitive. Usually they operated in small units known as war-bands led by a warlord. Despite the differences between these war-bands, many of them did gather and fight under a single banner. Often they hurdled behind overlords -sunans or sultans- who were in need for additional brawn; a competitive market of martial supply and demand resulted. The king with the most men usually won.

De aanvang en het verloop van de Atjeh oorlog kan niet begrepen worden, zonder hierin het perspectief mee te nemen van het onafhankelijke Sultanaat van Aceh. Alhoewel verbonden sinds 1853 met Nederland in een verdrag van vriendschap, vrede en handel, bleef het een trotse en zelfstandige islamitische natie in de Indische archipel. Niettemin was het omringd door koloniale Europese machten, te weten Nederland en Groot-Brittannië, die er beiden veel aan gelegen was hun invloedsferen in Zuidoost-Azië uit te breiden in de tweede helft van de 19e eeuw. Juist het contact leggen van het sultanaat met eventueel bevriende mogendheden om zelfstandig te kunnen blijven, met een missie naar het Ottomaanse hof in Instanbul, en de Italiaanse en Amerikaanse vertegenwoordiging in Singapore, bleken mede aanleiding te zijn voor Nederland dit als buitenlandse inmenging te zien en in 1873 de oorlog te verklaren aan het sultanaat. Over deze perikelen schreef dhr. Belderbos zijn studie Onder de hoede van de Allerhoogste.

In zijn inleiding schrijft Belderbos o.a.: "Er is verrassend weinig diepgaand historisch onderzoek gedaan naar de invloed van het panislamisme op de Atjeh-oorlog. Het onderzoek dat verricht is benadert de oorlog als een conflict tussen het Atjehse sultanaat en het NederlandsIndisch bestuur, met weinig aandacht voor de bredere internationale context. Naar mijn mening was het gebrek aan internationale steun voor de Atjehse strijders doorslaggevend in het verloop van de Atjeh-oorlog. In deze scriptie onderzoek ik waarom de Osmaanse sultan in 1873 weigerde steun toe te zeggen aan de Atjehse diplomatieke missie in Istanbul en geef ik antwoord op de vraag op welke manier het Atjehse sultanaat religie probeerde te gebruiken om internationale steun te verwerven in de periode 1870-1903."

Halverwege de 18e eeuw ontstaan er overal in Europa en Noord-Amerika initiatieven om licht bewapende militietroepen in te zetten in de oorlogsvoering, wat in de periode van 1740 tot 1790 gestaag leidt tot een professionalisering van deze nieuwe soort van infanterist, of te wel de lichte infanterie. In zijn studie De kleine oorlog gaat dhr. Grossfeldt in op die ontwikkelingen gedurende de 18e eeuw, zodat er een beter begrip ontstaat voor de massale inzet van lichte infanterie op de slagvelden van de napoleontische oorlogen en later.

In zijn inleiding schrijft Grossfeldt: "Deze scriptie tracht een leegte in het huidige discours te vullen. Daartoe staat de volgende vraag in dit onderzoek centraal: Welke ontwikkelingen droegen bij aan de professionalisering van de lichte troepen in de periode 1740-1790? En de subvraag die ik daarbij stel is: Wat waren de ontwikkelingen in de Republiek der Verenigde Nederlanden op het gebied van de lichte troepen in de periode 1740-1790?"

In 2011 publiceerde dhr. L. Grossfeldt zijn masterscriptie (Universiteit van Utrecht), getiteld De 'kleine oorlog': over de ontwikkeling van de lichte troepen, 1740-1790.