kareldoorman.jpg

Door Peter C. Boer (tekst © P.C. Boer)

Illustraties Bert van den Broeke (© B. v.d. Broeke/P.C. Boer)

Inleiding 

Direct voorafgaand aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Europa voerden de vliegtuigen van het Wapen der Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (ML/KNIL, toen nog geen Wapen maar een Afdeling) een ratjetoe aan camouflage-kleuren en –schema’s of zelfs helemaal geen camouflagekleuren. Zo waren bijvoorbeeld de rompen van de Fokker C.10 verkenners “khaki” (een vrij donker groen, “best match” FS 24098), die van de Koolhoven FK.51 lesvliegtuigen “camouflage-bruin” (een soort, ook in Nederland op lesvliegtuigen gebruikt, chocoladebruin, “best match” FS 20117) en waren de rompen van de Glenn Martin B-10  bommenwerpers lichtblauw en de vleugels geel zoals bij het U.S. Army Air Corps (USAAC). Wel hield de ML al in 1938 een voorraad “camouflage-groene” verf en dope aan, om in tijden van oplopende spanning de bommenwerpers te kunnen camoufleren. Deze kleur zou, zoals hierna zal worden uiteengezet, in 1940 een van de standaard camouflagekleuren op de operationele vliegtuigen van de ML worden. De operationele vloot van de ML, toen nog volop in opbouw, bestond in het najaar van 1939 uitsluitend nog uit Glenn Martin B-10 bommenwerpers en wel van vier verschillende subtypes (WH-1, -2, -3 en 3A).  Pas in juli 1940 formeerde de ML op Andir een eerste afdeling jachtvliegtuigen met de eerste uit de V.S. ontvangen Curtiss H-75A-7 Hawks.

 

Twee nieuw opgebouwde Curtiss H-75A-7 Hawks gefotografeerd bij de Technische Dienst van de ML te Andir in juli 1940. Op de achtergrond staan twee Glenn Martin WH-2 bommenwerpers (officiële ML-foto, via G.J. Casius)

Toen in het najaar van 1939 de Tweede Wereldoorlog in Europa daadwerkelijk losbarstte, kocht de ML/KNIL extra “camouflage-groene” verf en dope in om alle operationele vliegtuigen in tijden van oplopende spanning en buitengewone omstandigheden op een zinvolle wijze te kunnen camoufleren. Voorlopig bleef de camouflageverf en dope echter nog in opslag. [1] De kleur “camouflage-groen” betrof in feite de al langere tijd bestaande olijfgroene camouflageverf die ook op alle voertuigen, geschut etc. van het KNIL was te vinden. Deze kleur was door het KNIL zelf door middel van veldexperimenten ontwikkeld en was een duidelijk andere kleur dan het hiervoor genoemde “khaki”. De door de ML gebruikte matte vliegtuigverf en dope in de kleur “camouflage-groen” werd door het KNIL via een handelsfirma op Java besteld in de V.S. bij de firma DuPont. Hoe deze kleur er precies uitzag, wordt eveneens hierna beschreven. [2]  

Nederland in oorlog, camouflage en camouflageproeven in Indië 

Al in april 1940 zag men de inval in Nederland aankomen met de Duitse aanval op Denemarken en Noorwegen. Als Nederland daadwerkelijk in oorlog zou raken, verwachtte het KNIL Duitse “raiderschepen” in de Indische wateren en de bommenwerpers van de ML waren onder andere nodig voor het aanvallen van deze  “raiders”. De Staf van de ML begon met het uitwerken van plannen om de bommenwerpervloot van de ML zo snel mogelijk volledig operationeel te maken. Een van de maatregelen waartoe werd besloten, was het daadwerkelijk camoufleren van de Glenn Martin bommenwerpers, waarmee omstreeks begin mei 1940 werd begonnen. Als eerste werden negen nieuwe Glenn Martin WH-3A’s, bestemd voor de  afdeling 1-Vl.G.II, door de Technische Dienst (TD) van de ML te Andir volledig “camouflage-groen” gespoten. [3] 

Direct na de bezetting van Nederland, rond 16 mei 1940, besloot men om alle ingedeelde vliegtuigen  van de ML te camoufleren. Alle bommenwerpers, jachtvliegtuigen (voorlopig slechts één Fokker D.21) en transportvliegtuigen (voorshands een tweetal Fokker F.7’s en een mobilisabel Waco privé vliegtuig) werden daarop volledig in de kleur “camouflage-groen” gespoten. Dit vooruitlopend op een op te stellen Camouflageplan voor de volledige infrastructuur en alle voertuigen, vliegtuigen en andere “hardware” van de ML. De gebouwen, hangaars etc. wilde men niet alleen in camouflagekleuren spuiten, maar ook door middel van beplantingen moeilijker vanuit de lucht herkenbaar maken. De ML huurde een civiele plantkundige in om hierbij behulpzaam te zijn. Deze deskundige adviseerde in juni-juli 1940 ook over mogelijk toe te passen camouflageschema’s met twee kleuren donkergroen voor de Glenn Martin  bommenwerpers en de Curtiss H-75A-7 Hawk jachtvliegtuigen. [4]

In mei 1940 viel ook het besluit om voor de volledig in “camouflage-groen” gespoten Glenn Martins een al in 1939 ontworpen camouflageschema met een licht grijze kleur op de onderzijde uit te proberen. Dit om de zichtbaarheid vanaf de grond op vlieghoogtes tussen 3.000 en 5.000 meter te verminderen, zowel tegen een achtergrond van wolken als in heldere lucht. Een geschikte kleur was al voor handen, omdat in 1939 verschillende tinten grijs en grijsblauw waren uitgeprobeerd op een Glenn Martin WH-3. Als beste oplossing om de zichtbaarheid te verminderen kwam toen een heel lichte kleur mat grijs uit de bus, een kruising tussen “cream white” en licht grijs. Een kleur die de vliegers  van het volledig in bedoelde kleur gespoten vliegtuig tijdens formatievliegen in heiïg weer als gevaarlijk beschouwden voor de vliegveiligheid. Verf en dope in deze kleur “licht grijs” waren in 1939 besteld in de V.S. bij DuPont, om de nieuwe in dat jaar afgeleverde WH-3A’s voor de ingebruikname (in 1940) deels in “camouflage-groen”, deels in “licht grijs” te kunnen camoufleren. [5]  De uitvoering van dat voornemen liep wat vertraging op, zoals al vermeld werden de eerste negen WH-3A’s voor 1-Vl.G.II volledig “camouflage-groen” gespoten, en werd niet volledig uitgevoerd.

Een tweetal  nieuwe Glenn Martin WH-3A’s (de M582 en de M586) werd door de TD te Andir begin juni 1940 deels in “licht grijs” gespoten. Vanwege de vliegveiligheidsaspecten werden alleen de onderzijde van de romp, de onderzijde van de vleugels (met uitzondering van de “camouflage-groen” gelaten onderzijden van de vleugelvoorranden en vleugeltips), de onderzijde van de motorgondels en de motorkappen en de onderzijde van de horizontale staartvlakken en hoogteroeren in “licht grijs” gespoten  De proef slaagde als verwacht en het gevaar van botsingen bij formatievliegen liep door de donkere “camouflage-groene” bovenzijde en rompzijkanten sterk terug. In de loop van juni 1940 spoot de TD te Andir ook zeven andere nieuwe voor afdeling 2-Vl.G.II bestemde WH-3A’s (de M592 tm M597 en de M600) in dit proefschema. [6]

 

Glenn Martin M586 van afdeling 2-Vl.G.II gefotografeerd tijdens een bezoek aan Darwin op 16 mei 1941. Door de lichtval en het geringe contrast tussen de twee donkergroene kleuren van de camouflage is het verschil tussen deze kleuren bijna niet te zien. Ook de licht grijze onderzijde van het toestel is, evenals die van de op de achtergrond geparkeerde M597, vrijwel niet zichtbaar (AWM, via G.J. Casius) 

Tegen het einde van juni 1940 spoot de TD nog een andere nieuwe Glenn Martin WH-3A, de M591, in een geheel nieuw proefschema met op de bovenzijde en de romp een patroon van twee kleuren donkergroen en “licht grijs” op de onderzijde. De ML wilde namelijk ook de zichtbaarheid (vanuit de lucht) van toestellen op de grond zoveel mogelijk verminderen, speciaal wanneer geparkeerd tegen  een achtergrond van tropische vegetatie. De bovenzijde en de gehele romp (dus ook de onderzijde daarvan) van de Glenn Martin kreeg daarom een patroon van “camouflage-groen” en “donkergroen”. De kleur “donkergroen” was  gemaakt door “camouflage-groen” te mengen met zwart. Deze camouflage kwam ook op de onderzijde van de vleugelvoorranden (inclusief die tussen motorgondels en romp), de onderzijde van de vleugeltips en een belendende strook plaatwerk over de breedte van de vleugel, op de onderzijde van de motorgondels en de motorkappen en, zoals al vermeld, op de onderzijde van de romp. Het bleek een prima compromis. De zichtbaarheid op zowel de grond als in de lucht, liep aanzienlijk terug. De proefnemingen duurden slechts enkele weken waarbij vanuit Andir en vanuit enkele schuilterreinen werd gevlogen. Ook vergeleek men op een van de schuilterreinen het effect van de camouflage met dat van een toestel in het oorspronkelijke proefschema van “camouflage-groen” en “licht grijs”. [7]

 

Glenn Martin M597 gefotografeerd van de andere zijde tijdens het bezoek aan Darwin op 16 mei 1941. De licht grijze onderzijde is nu duidelijk zichtbaar, evenals de “donkergroene”  baan op de rechtervleugel (die overigens niet geheel volgens het standaard schema is aangebracht)  (AWM, via G.J. Casius)

Medio juli 1940 werden de camouflageproeven afgesloten. Het nieuwe schema met twee kleuren donkergroen bleek een verbetering en werd per 1 augustus 1940, in een iets gewijzigde vorm, het standaard schema voor de Glenn Martin vloot. De strook plaatwerk op de vleugelonderzijde naast de vleugeltips werd nu licht grijs, maar voor het overige werd het camouflageschema van de M591 gehandhaafd. Hoe de kleuren er precies uitzagen, komt hierna nog aan de orde.  [8] De werkwijze van de spuitploeg van de TD was als volgt. Eerst spoot men in “camouflage-groen” de gehele romp (rondom), de bovenzijde van de vleugels inclusief de onderzijde van de vleugelvoorranden en de vleugeltips, de onder- en bovenzijde van motorkappen en motorgondels en de bovenzijde van de horizontale staartvlakken (inclusief de onderzijde van de voorrandjes). Vervolgens werd op alle nog niet gespoten delen van de onderzijde het “licht grijs” gespoten en daarna werd op de bovenzijde, onderzijden van vleugelvoorranden etc. het “donkergroen” aangebracht. Dit laatste spuitwerk gebeurde uit de losse hand, waardoor er in de camouflagepatronen nogal wat variatie ontstond. Er werd over de afgeplakte en afgedekte nationale kentekens, wingwalks (zwart) en registraties (in wit op de romp en het cijferdeel van de registratie in zwart op de vleugelvoorranden) heen gespoten. Het cockpit-interieur bleef aluminiumkleurig en de propellernaven en –bladen bleven aanvankelijk “natural metal”. Vanaf medio 1941 spoot de TD echter de bladen na onderhoud of reparatie volledig “donkergroen”. Hoe het standaard camouflagepatroon er uit zag, is aangegeven op de schetstekeningen met de zijaanzichten en het boven- en onderaanzicht van de Glenn Martin WH-3(A) in de bijlagen.  [9] 

 

Glenn Martins WH-3A M591, M597 en M586 tijdens het bezoek aan Darwin op 16-17 mei 1941. Op deze  niet al te beste foto is te zien dat op toestel M591 niet alleen de onderzijde van de vleugeltips, maar ook een belendende strook plaatwerk over de breedte van de vleugel in de twee kleuren donkergroen is gespoten (AWM, via G.J. Casius)          

De standaardcamouflage van 1 augustus 1940 

De TD te Andir ging tot eind juli 1940 door met het volledig “camouflage-groen” spuiten van de Glenn Martins van de Ie Vliegtuiggroep (Vl.G.I) te Andir (afdelingen 1-Vl.G.I, 2-Vl.G.I en de Glenn Martin Opleiding) en van de IIIe Vliegtuiggroep (Vl.G.III) te Tjililitan (afdelingen 1-Vl.G.III en 2-Vl.G.III). Per 1 augustus 1940 werd voor wat betreft de al ingedeelde toestellen overgeschakeld op spuiten in het nieuwe standaard schema van “camouflage-groen”, “donkergroen” en “licht grijs”. [10] De Glenn Martins te Andir en Tjililitan waren omstreeks medio augustus 1940 alle gecamoufleerd, dat wil zeggen deels volledig “camouflage-groen”, deels in het nieuwe standaardschema. De beschildering van de “camouflage-groene” toestellen werd vervolgens geleidelijk door de TD te Andir aangepast, een project dat in januari 1941 werd afgerond. [11]

 

Glenn MartinWH-2 M515 van afdeling 2-Vl.G.III gefotografeerd tijdens een oefening te Singkawang II (West-Borneo) in september of oktober 1941. Hoewel door het geringe kleurcontrast nauwelijks zichtbaar, voert ook dit toestel de standaardcamouflage. De IIIe Vliegtuiggroep was de enige die voor de ondergeschikte afdelingen een kleur als onderscheidingskenmerk hanteerde. Een witte streep aan weerszijden van de romp was het kenmerk van de 2e Afdeling (foto collectie auteur)

De vliegtuigen van de IIe Vliegtuiggroep (Vl.G.II) te Malang werden naar Maospati (Madioen) gevlogen voor het schilderwerk dat nog nodig was. De beschildering van de bommenwerpers van de afdelingen 1-Vl.G.II en 2-Vl.G.II die nog niet het nieuwe standaardschema hadden, werd aldaar aangepast in de periode tot en met januari 1941. De M591 van 2-Vl.G.II bleef echter vliegen in het hiervoor beschreven proefschema en negen toestellen van deze afdeling behielden na de aanpassing de licht grijze romponderzijde en licht grijze onderzijdes van motorgondels en motorkappen van het oorspronkelijke proefschema. Ook in de oorlogsperiode was dat nog het geval. [12]

Reservetoestellen van de TD te Andir (een aantal WH-1’s en WH-2’s en tien nieuwe WH-3A’s, de M612 tot en met M621) kregen vanaf begin augustus 1940 deels het nieuwe standaard schema, namelijk alleen het “camouflage-groen”, dus inclusief  “camouflage-groen” op die delen die “donkergroen” behoorden te zijn. De onderzijde werd gespoten bij daadwerkelijke indeling en op dat moment werden ook de “donkergroene” delen van de camouflage op het “camouflage-groen” aangebracht. De nieuwe reservetoestellen werden overigens wel in dit tijdelijke schema vanuit Andir ingevlogen en vlogen dus met gele ondervleugels, waarop ook nog de oorspronkelijke rozetten (in plaats van zwart gerande oranje driehoeken) waarmee de toestellen door de fabriek waren afgeleverd.  [13]

Het nieuwe per 1 augustus 1940 van kracht geworden schildervoorschrift van de TD omvatte niet alleen de Glenn Martin bommenwerpers maar ook de nieuwe Curtiss H-75A-7 Hawk jachtvliegtuigen van de ML. De Hawks dienden een aan de Glenn Martin camouflage ontleend camouflage schema te krijgen met “camouflage-groen” en “donkergroen” op de bovenzijde, op de onderzijde van de vleugelvoorranden en de vleugeltips en op de gehele romp met uitzondering van de centersectie en de rompdelen achter de druppelvormige “achteruitkijk ruiten”. De jagers werden te Andir overgespoten in de tweede helft van augustus (het spuiten van de Glenn Martins had prioriteit) en in de loop van september 1940, met een laatste toestel in oktober 1940. De onderzijde van de toestellen bleef  “natural metal” en werd niet licht grijs gespoten. Voor de jagers werd een licht grijze onderzijde niet noodzakelijk geacht en was de camouflage uitsluitend bedoeld om de zichtbaarheid op de grond te verminderen. Het eerste gecamoufleerde toestel was de C323, die echter abusievelijk C322 werd tijdens het opnieuw beschilderen. Het laatste toestel was de in oktober afgeleverde C334. Net als bij de Glenn Martins werd over de afgeplakte en afgedekte nationale kentekens, wingwalks (zwart), registraties (bij de Hawks alleen in zwart op de romp) en enkele opschriften op het bagageluik aan de bakboordzijde van de romp heen gespoten. Het cockpit interieur bleef aluminiumkleurig en de propellernaaf en –bladen bleven “natural metal”. Pas medio 1941 ging de ML er toe over om van alle types de propellerbladen na onderhoud of reparatie volledig “donkergroen” te spuiten. Hoe het standaard camouflagepatroon er uit zag, is aangegeven op de schetstekeningen met de zijaanzichten en het boven- en onderaanzicht van de Hawk in de bijlagen. [14]

 

“Line-up” van de elf 1e lijn Hawks van de 1e Jachtafdeeling  (Jag.1) te Andir op 1 oktober 1940. De afdeling werd op die dag operationeel gemeld aan de commandant ML. Op het voorste toestel is door  lichtval en vervuiling het camouflagepatroon op de rompneus nauwelijks te onderscheiden. De camouflagegrens op is op het tweede en derde toestel in de rij echter goed te zien (officiële ML-foto, via G.J. Casius)

Terwijl het camoufleren gaande was, wijzigde de ML op 16 augustus 1940 het registratiesysteem. De registraties van de Glenn Martins in de 600-serie werden M5100 enz. M stond hierbij voor Martin, 5 voor (horizontale) bommenwerper en 100 voor de 100e Glenn Martin bommenwerper. [15] Eind augustus 1940 werden vervolgens de nationale kentekens aangepast, waarbij de zwart gerande oranje driehoeken op de bovenvleugels en het zwart gerande oranje richtingsroer vervielen. Tussen 1 september en 1 oktober 1940 werden deze op de al gecamoufleerde toestellen in “camouflage-groen” overgespoten of met de hand (het richtingsroer) overgeschilderd. Opgemerkt zij dat de driehoeken op de bovenvleugels uitsluitend met “camouflage-groen” werden overgespoten. Hierdoor wijzigde vooral het camouflagepatroon op de linkervleugels van de al in twee kleuren donkergroen gespoten Glenn Martins en Hawks. Er werd namelijk geen “donkergroen” toegepast om de standaardpatronen te herstellen. Op de richtingsroeren werd een onregelmatige rand in “donkergroen” geschilderd om de “outline” op te breken, zoals is aangegeven op de illustraties van de rompzijkanten in de bijlagen. Dit gebeurde ook op de Glenn Martins die nog geheel “camouflage-groen” waren. [16]  

Nieuwe types toegevoegd 

Medio augustus 1940 voegde men schilderschema’s aan het schildervoorschrift toe voor het Curtiss-Wright CW-21B Interceptor jachtvliegtuig (op dat moment nog alle bij de fabriek in de V.S.) en voor twee types in oorlogstijd als verkenner te mobiliseren lesvliegtuigen, de Lockheed L-212 en de Koolhoven FK.51.  [17]  De toestellen van deze types kregen een camouflageschema gelijkend op dat van de Glenn Martin en de Hawk, met een patroon van “camouflage-groen” en “donkergroen” op de bovenzijde en de romp. De onderzijde werd aluminiumkleurig gespoten (de CW-21B) of gelaten (de vleugels en horizontale staartvlakken met hoogteroeren van de FK.51), dan wel “natural metal” gelaten (de L-212). Er waren echter de nodige onderlinge verschillen en verschillen met de schema’s van de Glenn Martin en de Hawk. Zo waren bijvoorbeeld, behalve bij de FK.51 tweedekkers, de romponderzijden nu niet meer in de twee kleuren donkergroen gecamoufleerd. De L-212’s hadden als enige nog vleugelvoorranden en vleugeltips die ook aan de onderzijde “donkergroen” en “camouflage-groen” waren. De onderzijden van motorgondels en motorkappen waren echter bij dit type wel “natural metal”.

De eerste lesvliegtuigen (zowel FK.51’s als L-212’s) werden in de tweede helft van augustus 1940 overgespoten en deze toestellen hadden dus nog de oude stijl nationale kentekens. De CW-21B’s werden (vanaf eind september 1940) bij de fabriek in de V.S. in camouflagekleuren gespoten voor de aflevering. Deze toestellen kregen direct de nieuwe stijl kentekens. [18]                       

In 1941 volgden nog de Curtiss-Wright CW-22 tactische verkenner, het Brewster B-339 jachtvliegtuig en het Lockheed L-18 transportvliegtuig. De toestellen van deze drie types werden bij de fabriek in de V.S. in camouflagekleuren gespoten. De vliegtuigen kregen eveneens een standaardschema van “camouflage-groen” en “donkergroen” op de bovenzijde en rompzijkanten, waartoe bij DuPont in de V.S. bestelde verf rechtstreeks werd afgeleverd bij de genoemde vliegtuigfabrieken in de V.S. De onderzijde, inclusief de romponderzijde, werd net als bij de CW-21B’s aluminiumkleurig gespoten. Dit was een anti-corrosie maatregel. De nieuwe toestellen uit de V.S. (inclusief de CW-21B’s) hadden conform specificaties van de TD alle propellers met “donkergroene” bladen, behalve de B-339’s. Brewster leverde de toestellen met propellers waarvan de bladen weliswaar “donkergroen” waren, maar ook een grote gele tip hadden. De ML liet het maar zo, maar spoot de bladen van reserve propellers voor uitreiking en montage volledig “donkergroen”. [19]

 

Curtiss-Wright CW-22 Falcon tactische verkenner CF464, gefotografeerd op het fabrieksvliegveld te St. Louis (Missouri) in de V.S. in februari 1941 (collectie auteur)

Tweede lijn toestellen, zoals mobilisabele sportvliegtuigen, bleven ook in 1941 en gedurende de oorlogsperiode volledig “camouflage-groen”. Lesvliegtuigen in de categorie “onbewapend” en wel te bewapenen lesvliegtuigen die niet meer voor mobilisatie in aanmerking kwamen, behielden hun oorspronkelijke beschildering. Pas na het uitbreken van de oorlog in de Pacific kreeg een groot aantal Ryan STM trainers van de Vlieg- en Waarnemersschool te Kalidjati alsnog een standaard camouflage van “camouflage-groen” en “donkergroen” op de bovenzijde en de gehele romp, alsmede op de beplating rond de wielen en op de voorzijde van de beplating rond de wielpoten. De onderzijde van deze toestellen bleef aluminiumkleurig. [20]  

De kleuren van de standaardcamouflage 

Over de juiste kleuren van de ML-camouflage is de laatste jaren het nodige te doen geweest, waarbij vooral de hardnekkigheid opvalt waarmee sommige auteurs verdedigen dat de ML-kleuren, USAAC-kleuren waaronder “Dark Olive Drab” (DOD) geweest moeten zijn. Ik heb hier echter in 1975, toen de herinneringen van veteranen nog redelijk goed waren, onderzoek naar gedaan. Dit was in een periode waarin in West-Europa de vliegtuigen van de United States Air Force Europe (USAFE) rondvlogen in de zogenaamde Vietnam tactical camouflage, oorspronkelijk beschreven in Technical Order 1-1-4 uit 1965 van de Amerikaanse Luchtmacht . (De benaming van de groene kleuren van het Vietnam tactical camouflage schema verschilt per publicatie. In dit artikel is de donkerste kleur groen van het Vietnam schema aangeduid als “Dark Green FS 34079” en de lichtere kleur groen als “Medium Green FS 34102”). Deze camouflage viel een tweetal veteranen waar ik in 1966-67 contact mee had op, omdat de twee kleuren groen van de camouflage naar hun mening zeer sterk leken op die van de ML-camouflage uit 1940-42. Dat wil zeggen “camouflage-groen” zou zeer sterk lijken op “Medium Green FS 34102” en  “donkergroen” op “Dark Green FS 34079”. Dit gegeven gebruikte ik (als hypothese) in 1975 voor een onderzoekje onder in totaal negentien oud-vliegers en oud-monteurs van de ML/KNIL naar de juiste kleuren. Deze veteranen heb ik na een paar standaard vragen, voornamelijk om te checken of alle ML types voor wat betreft de donkergroen tinten dezelfde camouflagekleuren voerden (hetgeen allen bevestigden), het volgende laten zien. [21]

A. De ingeplakte paint samples van (Dark) Olive Drab 41, Medium Green 42 en Neutral Grey 43 in United States Camouflage of WW II van Scale Productions (Jay Frank Dial, AAHS, 13 Oct 1964). Achteraf bleken deze paint samples echter te licht van tint.

B. Colour standards of the Ministry of Aircraft Production, paint samples van: Dark Green, Grey Green, Light Green en (Extra) Dark Sea Grey. 

C. Panel van een Convair F-102 Delta Dagger (afkomstig van een pas beschilderde kist waarvan het luikje beschadigd was geraakt) met daarop Medium Green FS 34102 en Dark Green FS 34079 van de Vietnam tactical camouflage, plus een sample Light Grey FS 36622 van de onderzijde van een F-102.

D. Stukje plaat van een Boeing B-17F ontvangen van de Bergingsdienst KLu met daarop verweerd DOD (had plm. twee jaar buitenlucht blootstelling gehad).

Mijn centrale vraag was: waar leken de ML-kleuren, wanneer nieuw, het meest op?

De reacties waren soortgelijk en zijn hierna beknopt samengevat.

Ad A (Dark) Olive Drab 41 en Medium Green 42 komen in de buurt, maar te licht, contrast tussen de kleuren klopt wel, de ML-kleuren lagen qua tint dicht bij elkaar. Het donkergroen van de ML was erg donker en leek soms bijna zwart. Het Medium Green 42 (zoals in het boekje)  komt in de buurt van het “camouflage-groen” van de ML. Volgens de Glenn Martin veteranen was het Neutral Grey 43 veel te donker v.w.b. de Glenn Martin onderzijde, die was heel licht grijs. Volgens een drietal oud-monteurs was het “camouflage-groen” behalve een stuk donkerder ietsje “groener” dan de kleur (Dark) Olive Drab 41 uit het boekje, dus een beetje helderder van tint dan DOD zoals afgebeeld.

Ad B  Iedereen was het er over eens dat de kleuren geen van alle in de buurt van de ML- kleuren komen; behalve Sea Grey vond men het typisch verven voor het Europese theater, niet geschikt voor de tropen.

Ad C  Iedereen vond zonder uitzondering dat de Vietnam tactical camouflage colours “very, very close” waren. De twee kleuren groen waren donker genoeg, groen genoeg en het contrast was goed.

Ad C Werd onmiddellijk herkend als verweerd (“verbruind”) DOD zoals na de oorlog ook op North American B-25’s en de Curtiss P-40’s van de ML te zien. Iedereen was het er over eens dat de twee kleuren donkergroen van de ML niet op die manier verweerden (en bruinig werden), maar groen bleven en alleen lichter werden door de invloed van zonlicht.  [22]

 

Brewster B-339C jachtvliegtuig B398 gefotografeerd te Semplak in juli 1941 tijdens de conversie op dit type toestel van afdeling 1-Vl.G.V. De in aluminiumkleur gespoten onderzijde  is goed zichtbaar  (collectie auteur)   

Auteur Roger A. Freeman, een deskundige op het gebied van camouflage en beschilderingen van Amerikaanse vliegtuigen, legde me in 1975 uit dat de lichtere van de twee donkergroene ML-verven (nog afgezien van het niet bruinig verkleuren) geen DOD geweest kan zijn, omdat in 1941 voor wat betreft DOD nog geen productieverf voor exportorders beschikbaar was. Dit door toen nog grote tekorten aan deze verf. De ML begon met camoufleren voor er überhaupt productie DOD bestond. De eerste productie DOD werd pas in november-december 1940 aangebracht door maar een paar fabrieken en op slechts enkele door de USAAC  geselecteerde types jagers en medium-bombers (o.a. de P-40 en de B-25). De tekorten waren aanvankelijk zo groot dat pas omstreeks oktober 1941 de eerste nieuw gebouwde B-17’s van (Dark) Olive Drab 41 werden voorzien. Bedacht moet ook worden dat (Dark) Olive Drab 41, Medium Green 42 en Neutral Grey 43 aanvankelijk alleen als “lacquers” (en “dope” voor de stuurvlakken bekleed met vliegtuiglinnen) werden geproduceerd, dat wil zeggen verven (en dope) op cellulose basis, terwijl de ML-verven voor de metalen delen van de vliegtuigen traditionele “enamels” waren. “Lacquers” en “enamels”  kunnen niet door elkaar worden gebruikt. [23]  

Omstreeks 1982 kreeg Gerard J. Casius (thans verbonden aan het Nederlands Instituut Militaire Historie) een paar stukjes metaal afkomstig van een in een Australische woestijn gevonden vleugel van een Brewster jager in zijn bezit. Deze stukjes toonden de nog in redelijke staat verkerende oorspronkelijke ML-verven “donkergroen” en “camouflage-groen”. De kleuren werden destijds geïdentificeerd door auteur/modelbouwer Jim Maas (een deskundige v.w.b. Brewster-vliegtuigen) en wel als Dark Olive Drab 41 (FS 34088) en Medium Green 42 (FS 34092). Begin 2005 heeft Gerard de kleuren nog eens laten vergelijken met FS 34079 en FS 34102, waarop hij concludeerde dat de kleuren ook heel goed overeen komen met deze standaard kleuren. [24] Dark Olive Drab 41 en Medium Green 42 lijken (wanneer nieuw) sterk op de latere hiervoor genoemde twee kleuren donkergroen uit de Vietnam tijd; het verschil is erg klein.

Begin 1988 werd nabij Miri op Borneo een vleugel van een in 1941 neergestorte Glenn Martin WH-3 (de M551) geborgen en naar het Militaire Luchtvaart Museum te Soesterberg overgebracht. In februari 1988 kreeg ik de kans om schoongemaakte stukjes verf van de vleugel te identificeren. Ook die kwamen heel dicht bij de drie hiervoor genoemde Vietnam tactical camouflage kleuren, waarbij moet worden opgemerkt dat vooral het “camouflage-groen” voor een groot deel sterk was verweerd. Deze verf werd volgens veteranen vrij snel lichter en dan ook wat groener, dat wil zeggen helderder van tint. Dit effect is op de Glenn Martin vleugel goed te zien. [25]

Samenvattend kunnen de ML-camouflagekleuren voor wat betreft de “best match” met meer moderne kleuren als volgt worden geïdentificeerd.

ML-benaming                     Federal Standard 595 No 

Camouflage-groen              34102  

Donkergroen                       34079

Licht grijs                             36622

Conclusies 

Concluderend kan worden vastgesteld dat de camouflageverven en dopes van de ML uit de periode 1940-42 voor wat betreft de kleuren unieke door het KNIL en de ML zelf ontwikkelde vliegtuigverven en dopes waren. De kleuren kwamen, wanneer nieuw, zeer sterk overeen met de latere FS 34079 (Dark Green), FS 34102 (Medium Green) en FS 36622 (Light Gray) van de USAF. Niet echt verwonderlijk, want de USAF ontwikkelde de kleuren net als het KNIL en de ML door middel van veldexperimenten in een tropenomgeving. De twee donkergroene kleuren van de ML werden door de invloed van de zon lichter (vooral het “camouflage-groen”) maar bleven groen van tint en “verbruinden” niet. Rond 1 mei 1940 begon de daadwerkelijke toepassing van de kleuren op ML-vliegtuigen; aanvankelijk alleen “overall” “camouflage-groen” en, na enkele experimenten, vanaf 1 augustus 1940 “camouflage-groen” en  “donkergroen” in een standaardpatroon op de romp en bovenzijde, en “licht grijs”, aluminiumkleur of  “natural metal” op de onderzijde, afhankelijk van het type. De kleuren bleven in gebruik tot de capitulatie van het KNIL in maart 1942.

Noten 

[1] Interviews met ir. C.W.A. Oyens en A.B. Wolff.

[2] Interviews met ir. C.W.A. Oyens, J.C. Benschop, K.B.A. Karssen, W.H. Goudswaard, P.M. van der Spoel en A.H. Erdkamp. De eerder gebruikte verven en dopes “khaki” en “camouflage-bruin” waren half-mat (semi-gloss), “camouflage-groen” was mat.

[3] Correspondentie auteur met A.D.M. Moorrees (1986) en A.A.M. van Rest (1982-83). 1-Vl.G.II staat voor 1e afdeling der IIe Vliegtuiggroep. Voor de duidelijkheid zijn de Glenn Martin afdelingen in dit artikel aangeduid met de afkortingen ingevoerd in augustus 1940.

[4] Interviews met ir. C.W.A. Oyens, J.C. Benschop, A.B. Wolff, W. Boxman (was bij Jag.1, later aangeduid als 1-Vl.G.IV, de afdeling uitgerust met de Hawk jagers, camouflage-officier en o.a. belast met het toezicht op de uitvoering van het Camouflageplan te Maospati en bijbehorende schuilterreinen zoals Ngoro).

[5] Interviews met D.T. de Bont, F. van den Broek, J. van Kruiselbergen en ir. C.W.A. Oyens (bevestigde dat de licht grijze verf al in 1939 in de V.S. werd besteld).

[6] Interviews met ir. C.W.A. Oyens en P.A. Hoijer (werd in september 1940 beëdigd als officier voor de M582, foto van de beëdiging waarop de M582 in het proefschema), correspondentie auteur met C.W. Hundersmarck (1984, destijds als jong monteur betrokken bij de overname van de nieuwe WH-3A’s) en A.D.M. Moorrees (1986, destijds als vlieger betrokken bij de overname van de nieuwe WH-3A’s); verplaatsingorders Bw.3 (rooster met vliegtuignummers van WH-3A’s over te vliegen naar Malang).

[7] Ibidem; gedateerde foto M591 in het proefschema.

[8] Interviews met A.B. Wolff (werd 15 juli 1940 te Andir geplaatst en maakte daar nog net het einde van de camouflageproefnemingen mee), ir. C.W.A. Oyens en J.C. Benschop; foto M598 (met de M599 als eerste in het standaardschema gespoten).

[9] Naar een beschrijving door K.B.A. Karssen.

[10] Interviews met ir. C.W.A. Oyens, J.C. Benschop, A.B. Wolff (maakte in de periode 15 juli-15 aug. 1940 het volledig “camouflage-groen” spuiten van de Fokker D.21 mee), K.B.A. Karssen, W.H. Goudswaard, P.M. van der Spoel en A.H. Erdkamp.

[11] Interview met ir. C.W.A. Oyens (bevestigde dat met het spuiten van de Hawks en de lesvliegtuigen werd begonnen rond medio augustus 1940, toen de eerste fase van het camoufleren van de Glenn Martins werd afgerond).

[12] Interviews met M.F. Noorman van der Dussen en J. Hofmyster; Crown copyright photo’s van Glenn Martins te Singapore, juli 1941 en 9 december 1941, laten diverse toestellen met nog de licht grijze onderzijde zien.

[13] Interviews met J. van Kruiselbergen en D.T. de Bont (vlogen beiden toestellen in de interim beschildering ten behoeve van invliegen en de opleiding van luchtvaart-radiotelegrafisten).

[14] Interviews met ir. C.W.A. Oyens en W. Boxman; zakboekje W.M. van der Poel (via G.J. Casius) v.w.b. de aflevering van de C334. Het schildervoorschrift zelf is niet bewaard gebleven.

[15] Order van Blijvende Aard van de Commandant ML d.d. 16 augustus 1940 (Bundel OBA’s, archief NIMH).

[16] Interviews met A.B. Wolff, J.C. Benschop en P.M. van der Spoel.

[17] Interviews met ir. C.W.A. Oyens en J.C. Benschop.

[18] Gedateerde foto’s van genoemde drie types.

[19] Gedateerde fabrieksfoto’s van genoemde types; interview met J.C. Benschop en gedateerde foto B-3103 .

[20] Interviews met C.W. Hundersmarck (in de oorlogsdagen de monteur van een viertal gemobiliseerde sportvliegtuigen) en diverse toenmalige leerling-vliegers van de 1 juli 1941 vliegopleiding.

[21] Interviews gehouden door auteur april-mei 1975; volgens K.B.A. Karssen, P.M. van der Spoel en G.H. Goudswaard werd in 1940-42 uitsluitend nog verf van DuPont uit de V.S. gebruikt.

[22] Gerrit J. Zwanenburg, identificatiespecialist van de Bergingsdienst KLu, vertelde me in 1975 dat nieuw DOD uit 1941-42 donkerder was dan de kleur in het boekje van Frank Dial. Hij liet me een stukje Dark Olive Drab zien van een USAAF kist die vrijwel nieuw was toen hij in Nederland neerkwam en dat niet was verweerd. Deze kleur (later FS 34088) leek sterk op het Medium Green  FS 34102 uit de Vietnam tijd. (DOD verweerde echter snel en kreeg in tegenstelling tot de latere Vietnam-kleur binnen een jaar, sneller in de tropen,  a “brownish hue”). Ik heb hier vervolgens over gecorrespondeerd met auteur Roger A. Freeman, die wat Gerrit liet zien bevestigde.

[23] Correspondentie auteur met Roger A. Freeman (1975) over de origine en ontwikkeling van Dark Oive Drab.

[24] E-mail G.J. Casius aan P.C. Boer d.d. 24 januari 2005.

[25] Met dank aan G.J. Zwanenburg.

Bijlagen 

Opmerking vooraf van de auteur: de schetstekeningen zijn (indirect) gebaseerd op oorspronkelijke “calques” met camouflageschema’s van de Glenn Martin WH-3(A) (A.A. Noordhoorn, via ir. C.W.A. Oyens) en de Curtiss H-75A-7 Hawk (ir. C.W.A. Oyens, zeer waarschijnlijk “calques” van de oorspronkelijke tekeningen uit juli 1940). Opgemerkt zij dat de “calques” in slechte staat waren, namelijk sterk verkleurd, zeer broos en opgevouwen met versleten naden. Ik heb ze in de zomer van 1966 deels overgetrokken, deels zo nauwkeurig mogelijk over geschetst. Deze schetsen heb ik eind 2008-begin 2009 overgetekend op zij-, boven- en onderaanzichten gemaakt door Bert van den Broeke.