kareldoorman.jpg

Kunst en vliegwerk

Personeel en organisatie bij de twee vooroorlogse Indische militaire luchtvaartdiensten

Door drs. Anne C. Tjepkema

Rond 1937 telde de Luchtvaartafdeling (LA) van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (vanaf 1939 het Wapen der Militaire Luchtvaart oftewel ML) zo’n 70 vliegtuigen, merendeels lesvliegtuigen en weinig gespecialiseerde types. Medio 1940 stond de teller op bijna 200. Ten tijde van de Japanse inval in Nederlands-Indië was het aantal opgelopen tot bijna 370: bommenwerpers, 3 types jachtvliegtuigen, verkenningsvliegtuigen alsmede transport-, les- en overgangsvliegtuigen. Het aantal voorziene vliegtuigen eind 1941 lag nog hoger. Echter, meer dan 500 bestelde vliegtuigen bereikten niet of niet tijdig hun bestemming. Een deel daarvan was bedoeld bestaande types te vervangen, zoals de B-10[1] door de B-25, een ander deel was bestemd voor een nieuwe rol, zoals 162 duikbommenwerpers. Bij de Marineluchtvaartdienst (MLD) was de groei minder spectaculair, daar verdubbelde het totaal aan toestellen van ca 70 in 1936 in vijf jaar tijd. Zo was het aantal vliegboten gestegen van 40 naar 70; verder waren de opleidingen vanuit het bezette Nederland naar Soerabaja overgeheveld, wat aanleiding was voor de verwerving van een nieuwe vloot opleidingsvliegtuigen. Ook daalde het onbemande reservebestand aan vliegtuigen van 100% tot minder dan de helft, waardoor de behoefte aan bemanningen opliep.

Zo begint het artikel van dhr. Tjepkema, waarvan in nummer 1 van de jaargang 2018 in ons kwartaalblad Mars et Historia het eerste deel nu is verschenen. In een uitgebreide en rijk geïllustreerde versie publiceren wij hier de volledige 2 delen mèt extra informatie in pdf-formaat om te downloaden: Kunst en vliegwerk.