kareldoorman.jpg

Na de Negenjarige Oorlog (1688-1697) verkreeg de Republiek het recht om in de Zuidelijke Spaanse Nederlanden een aantal steden, c.q. vestingen, te voorzien van militaire garnizoenen. Op deze wijze konden de gebieden beschermt worden tegen invallen vanuit Frankrijk, terwijl Spanje zelf te zwak was om hier troepen te legeren. Na de Spaanse Successie oorlog (1702-1713) ging het gebied wat ruwweg te omschrijven is als het huidige België over naar de Oostenrijks-Habsburgse kroon, en werd vervolgens bekend als de Oostenrijkse Nederlanden. Nog steeds was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden machtig genoeg om aan de grens met Frankrijk een aantal vestingen te bezetten ter bescherming.

In de tweede helft van de 18e eeuw veranderde er echter langzamerhand een en ander voor de Republiek en de fortengordel van de Barrière steden. In zijn studie beschrijft dhr. Cuyt deze periode als volgt: "In 1740 stierf keizer Karel VI van Oostenrijk onverwacht. Maria-Theresia, de oudste dochter van Karel VI, eiste de troon op. Frankrijk en Pruisen betwisten deze troonsopvolging, waarop de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) uitbrak. Het werd een complex conflict tussen verschillende spelers over verschillende gebieden. Vooral het hertogdom Silezië was een heet hangijzer voor de Pruisische koning Frederik II De Grote. Oostenrijk, Groot-Brittannië, Rusland en de Republiek streden op verschillende fronten samen tegen Pruisen, Frankrijk en de keurvorsten van Beieren en Saksen. Frankrijk viel de Oostenrijkse Nederlanden binnen in 1744. De Barrière kon maar weinig weerstand bieden waardoor de Oostenrijkse Nederlanden van 1746 tot 1748 in Franse handen waren. In 1747 drongen de Franse troepen zelfs de Republiek binnen en namen onder andere de belangrijke vestingstad Bergen op Zoom in. Uiteindelijk wist het bondgenootschap rond Maria-Theresia het conflict in hun voordeel te beslechten. In 1748 werd de Vrede van Aken getekend en een jaar later keerden de Staatse troepen terug naar de barrièresteden."  

Cuyt vervolgt in zijn inleiding: "Tussen 1748 en 1756 begon de internationale politieke rol van de Republiek af te zwakken. Het was de periode waar er steeds meer frustraties opkwamen binnen de Oude Alliantie. Het Verdrag van Versailles in 1756 voltooide een periode waarbij verschillende mogendheden van alliantie wisselden. Oostenrijk sloot een bondgenootschap af met Frankrijk, Groot-Brittannië ging een alliantie met Pruisen aan. De Republiek zelf had geprobeerd na de Vrede van Aken de Oude Alliantie met Groot-Brittannië en Oostenrijk te behouden, maar dat draaide dus uit op een grote mislukking. Groot-Brittannië was een grote concurrent geworden op handelsvlak en Maria-Theresia was er op uit om haar eigen beleid te voeren in de Oostenrijkse Nederlanden. Een geïsoleerde Republiek, die bovendien met binnenlandse politieke en economische problemen kampte, kon niet anders dan zich neutraal opstellen wanneer de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) uitbrak in 1756. Daarmee was de rol van de Republiek als grote mogendheid uitgespeeld."

In 2017 presenteerde dhr. F. Cuyt zijn masterthesis (Universiteit van Gent, België), getiteld: De Staatse Barrière in de tweede heft van de 18de eeuw: Een rustig en vredig bezit?