infanterie.jpg

Na de vijfdaagse strijd in mei 1940 en de daar op volgende capitulatie van het Nederlandse leger, werd het merendeel der soldaten en officieren na enkele weken ontslagen en gedemobiliseerd. Gedurende de oorlog werden echter honderden wederom in krijgsgevangenschap genomen, nadat zij het Führer-dekret niet ondertekenden. Voor deze manschappen en vooral officieren diende dus enige zorg gedragen te worden, zoals bijvoorbeeld via het Rode Kruis.

Over dit bijzondere onderwerp gaat de studie van dhr. D.J. Smit, getiteld "Onder de vlaggen van Zweden en het Rode kruis: een medisch-historische studie naar aspecten van internationale bescherming van en hulp- en zorgverlening aan Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap van 1940 tot 1945".

Gevangenen in Colditz

In zijn inleiding schrijft dhr. Smit: "Na de capitulatie op 15 mei 1940 kwam het Nederlandse leger in Duitse krijgsgevangenschap. Van dit leger van ongeveer 280.000 man op een bevolking van ongeveer tien miljoen, voor meer dan 90% bestaande uit reserve- en dienstplichtig personeel, zijn uiteindelijk niet meer dan tienduizend in langdurige krijgsgevangenschap geweest. De reden voor dit merkwaardige verschijnsel is gelegen in het Führer-Dekret van 30 mei 1940. In dit besluit werd ondermeer bepaald dat de krijgsgevangenschap van het Nederlandse leger werd opgeheven en dat de demobilisatie van het leger op 15 juli 1940 diende te zijn voltooid, zodat de militairen naar huis konden terugkeren. Voorts werd van de beroepsmilitairen een verklaring geëist, inhoudende dat men zich van activiteiten tegen de Duitse bezetter zou onthouden. Zeventig militairen, voornamelijk officieren, weigerden de verklaring te tekenen. Zij werden in krijgsgevangenschap afgevoerd naar een locatie in Duitsland. Nadien zijn door diverse maatregelen van de Duitse overheid in 1942 en 1943 ongeveer tienduizend ex-militairen van het opgeheven Koninklijke Nederlandse Leger en onderdelen van de Koninklijke Marine in krijgsgevangenschap teruggebracht."

Verder vraagt dhr. Smit zich af in zijn inleiding of:

1. Heeft het Oberkommando der Wehrmacht, de direct verantwoordelijke voor alle in zijn macht zijnde krijgsgevangenen, zich (uiteraard op last van de hogere politieke autoriteiten) gehouden aan de Conventie wat betreft de Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap? Hoe het hun verging was primair een Duitse verantwoordelijkheid! 

2. Hebben de organisaties die verantwoordelijk waren voor de bescherming van, het internationale toezicht op de belangen van, en de hulp verlening aan krijgsgevangenen, daadwerkelijk invloed kunnen uitoefe nen op de situatie van de Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangen schap? 

3. Hoe was de gezondheidszorg in de kampen georganiseerd en is deze zorg, gerekend naar de toenmalige mogelijkheden en omstandigheden, toereikend geweest?

De antwoorden zijn te lezen in Smit's doctoraal scriptie uit 1996 (Erasmus Universiteit in Rotterdam), getiteld Onder de vlaggen van Zweden en het Rode kruis: een medisch-historische studie naar aspecten van internationale bescherming van en hulp- en zorgverlening aan Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap van 1940 tot 1945.