tank.jpg

Gerben Klein-Baltink

Veel van de NVBMB* leden kennen ongetwijfeld de Nederlandse 9,4mm revolverpatronen voor de M73 revolver en de varianten daarvan, zoals die in voormalig Nederlands-Indië zijn gebruikt. Over deze varianten in Nederlands-Indië gaat dit artikel. In diverse bronnen [Harder, Lenselink, de Vries/Martens] worden de drie bekende uitvoeringen van de scherpe patronen voor de revolvers M75 en M91, zoals het KNIL die gebruikte, getoond en op hoofdlijnen besproken. Na de invoering van de M75 revolver werd in eerste instantie een vergelijkbare patroon als voor de M73 revolver in Nederland gebruikt, waarbij overigens de binnenzijde van de huls werd gelakt – dat was bedoeld om de patroon onder tropische omstandigheden langer te kunnen bewaren. Ook kent het projectiel twee groeven, in plaats van één zoals de Nederlandse patroon die kent. Vanaf de ’80-er jaren van de 19e eeuw wordt de patroon aangepast: de huls wordt iets verlengd (tot 23 in plaats van 21 mm) en maand en jaartal van productie worden in het loden projectiel geperst. Daarmee zijn de maten van de patroonhuls definitief anders dan de in Nederland gebruikte exemplaren. Overigens passen alle patronen ook in de reguliere M73 revolver.

   

De linker afbeelding toont een ‘standaard’ 9,4mm Nederlandse Revolver patroon uit 1883 met bijbehorende doorsnede. Op de rechter afbeelding een 9,4 mm Revolver patroon uit December 1888 zoals die voor de M75 revolver in Nederlands-Indië werd gebruikt – het verschil in de uitvoering van het projectiel is duidelijk zichtbaar. De huls is bovendien ruim 2 mm langer. NB de “karteling” aan de bovenzijde van het projectiel is een gevolg van de ingeslagen cijfers van maand en jaartal.

Samenstelling van de Nederlands-Indische revolverpatronen vond plaats in de patroonwerkplaatsen te Soerabaja en Bandoeng. Dat deze patronen ook wel 10mm Soerabaja worden genoemd is daar waarschijnlijk een gevolg van. De benaming 10mm Soerabaja, als zou het om een ander kaliber gaan, is echter onjuist: de projectieldiameter is gelijk aan die van de Nederlandse revolverpatronen. Wat mij betreft zou daarom de benaming moeten zijn 9,4 mm Revolver M75/M91, of 9,4 mm Revolver KNIL.

Al langere tijd heb ik de verschillende uitvoeringen van deze patroon in mijn verzameling, waarbij ik niet goed begreep waarom de patronen in Nederlands-Indië  afwijken van de Nederlandse munitie. Dit ondanks de duidelijke beschrijvingen in [Harder]. Evenmin begreep ik waarom de wijziging naar een nieuw model projectiel volgens twee stappen verliep: eerst op basis van de normale 23 mm huls en later op basis van de lange huls (27 mm) die tot en met Wereldoorlog 2 in gebruik bleef.

Doordat ik recent een aantal exemplaren kon aankopen van de serie “Beknopte Overzichten van Proeven en Oefeningen (…)”, stuitte ik al lezend op de verklaring hiervoor, die ik in deze bijdrage graag met de leden van de NVBMB wil delen, als is een groot deel van de informatie ook elders al te vinden.

De onderstaande afbeelding toont drie varianten van de revolverpatroon zoals die in Nederlands-Indië werd gebruikt. De meest linker patroon betreft de Patroon Scherpe No. 3, die vanaf 1902 de benaming O.M. (Oud Model) krijgt. De middelste patroon is de enige mij bekende uitvoering van het “overgangsmodel”, dat al wel het nieuwe projectiel gebruikt en rookzwak kruit, maar nog de oude huls. De rechter patroon is een voorbeeld van het definitieve nieuwe model patroon Scherpe No. 3.

 

 De diverse revolverpatronen zoals in voormalig Nederlands-Indië gebruikt v.l.n.r. aanmaak September 1887, December 1902 en Mei 1941

In voormalig Nederlands-Indië wilde men bewust zelf kunnen kiezen welke bewapening en bijbehorende munitie werd gebruikt, reden voor nogal eens afwijkende keuzes voor zowel wapens als munitie. Soms is dat overigens duidelijk een gevolg van de bijzondere omstandigheden ter plaatse, zoals de klimatologische situatie en de verschillen in lichaams-kenmerken van de lokale bevolking ten opzichte van de Europese militair.

In 1900 en 1901 zijn er proeven gedaan met het gebruik van rookzwak buskruit in de M91 revolvers, in plaats van het oude zwartkruit (‘salpeterkruit’). Omdat de eerste proeven succesvol bleken te zijn, is in 1901 uitgebreid onderzocht of de middelste patroon met een afgeplat projectiel en rookzwak buskruit een goede opvolger zou zijn van de oude patronen. Hierbij wordt in eerste instantie de bestaande hulslengte van ca. 23 mm gehandhaafd.

Niet alleen de wens om een hogere mondingssnelheid (ca. 200 m/s) te bereiken lag hieraan ten grondslag, maar ook de wens om het “schokvermogen” te verhogen was van invloed op deze keuze en resulteerde in het afgeplatte projectiel. Gelijktijdig werd de patroon uitgevoerd met een vast aambeeld, in plaats van het vroegere model met los aambeeld. In 1901 wordt besloten deze nieuwe patroon in te voeren [NB ik ken alleen exemplaren met het merk 12 02, december 1902].

In de praktijk bleek echter in 1903 dat deze patroon te hoge drukken veroorzaakte, met als gevolg (huls)klemming, haperen bij het vuren en zelfs enkele beschadigingen van revolvers. Om tot een acceptabele druk te komen is vervolgens bij proeven in 1903 een variant ontwikkeld, met een iets langere huls, hetgeen veelbelovende resultaten oplevert. De huls is dan verlengd tot circa 27 mm, zonder dat overigens het afgeplatte projectiel is aangepast. Ondertussen wordt in 1903 wel besloten tijdelijk terug te keren tot de oude patronen (met ‘salpeterkruit’), totdat de proefnemingen zijn afgerond.

In 1904 en 1905 vinden aanvullende proeven met de nieuwe patroon plaats, waarna volgens de opgave in “Beknopt Overzicht van Proeven en Oefeningen (…)” de invoering in 1906 volgt. In de tussenliggende periode heeft deze patroon overigens de tijdelijke naam Patroon Scherpe No. 3 P.M. (Proef Model) . Wel merkt men in de loop van 1906 dat, vermoedelijk als gevolg van de specifieke samenstelling van het rookzwakke kruit, de mondingssnelheid langzaam toeneemt nadat de patronen enige tijd in opslag zijn geweest. De toepassing van een zeker percentage paraffine lijkt dit euvel te verhelpen. Verdere proeven in 1907 leiden tot de conclusie dat in het vervolg sublimaatvrij schietkatoen buskruit No. 1 bij de productie van de Scherpe Patronen No. 3 moet worden toegepast en dat dan, ook na opslag, een V5 van 180 -190 m/s mogelijk is. 

 

 Op deze afbeelding staat links het Oud Model en rechts het Nieuw Model revolverpatroon. De linker heeft een slaghoedje met ‘los’ aambeeld (variatie op de in 1881 gepatenteerde Bloem – ontsteking) en bij de rechter patroon is er sprake van een reguliere Berdan ontsteking: een ‘vast’ aambeeld, met twee brandgaten, als onderdeel van de huls

Beide patroonsoorten met afgeplat projectiel hebben overigens hetzelfde kaliber als de oude revolver patronen. Alle drie de getoonde varianten passen daarom in de meergenoemde M 91 revolvers. De verklaring in [Harder] dat het projectiel werd afgeplat om nog in de cilinder van de revolver te passen lijkt mij overigens onjuist: de eerder genoemde wens om het “schokvermogen” te vergroten wordt expliciet genoemd in de Beknopte Overzichten.

Hoewel de Beknopte Overzichten van 1907 tot en met 1910 dat niet expliciet vermelden, zou het best zo kunnen zijn dat het nieuwe model vanaf 1907 in gebruik is genomen. In het Beknopt Overzicht over 1911 wordt opnieuw verslag gedaan van proeven met deze patroon. Er wordt onderzocht of de patroon met een lading van 0,250 gram proef revolverkruit (begin 1911 vanuit Nederland ontvangen) de gewenste resultaten blijft geven. De proeven blijken bevredigend te verlopen, zowel met een afgewogen als met een afgemeten lading (huls gevuld met een maatschepje). Aansluitend wordt tot invoering van deze lading besloten. Ondanks het feit dat deze lading eventueel ook in de ouder model korte hulzen zou kunnen worden toegepast, blijft de langere huls gehandhaafd: “ … omdat een zeker surplus aan ruimte voor de lading aanwezig moet zijn met het oog op eventueelen aanvoer van milder kruit.”

 

Bovenstaande afbeelding toont de oudste en nieuwste verpakking in mijn eigen collectie. De verpakking uit Juli 1888 is rondom gevernist om bescherming tegen de tropische omstandigheden te verhogen. De verpakking uit Februari 1941 kent een soort van waslaag, met hetzelfde doel.

In de periode tussen 1901 en 1911 is er sprake van een overgangsperiode, waarin uitgebreid wordt geëxperimenteerd met de exacte afmetingen en uitvoering van de patroon. Dit blijkt duidelijk uit de aanwezigheid van een Oud Model patroon in mijn verzameling met het kogelmerk 3 09 (Maart 1909), maar ook uit een Nieuw Model patroon met lange huls, afgeplat projectiel en het kogelmerk 8 08 (Augustus 1908). Het nieuwe model komt vervolgens vanaf 1911 met diverse kogelmerken tot en met Mei 1941 in mijn verzameling voor. De onderstaande afbeelding van twee verpakkingen uit die periode maakt in elk geval duidelijk dat reeds in september 1903 de aanduiding “Oud Model” wordt gebruikt voor de patroon met ogivaal projectiel en hulslengte van 23 mm en dat in elk geval in januari 1911 de langere patroon met stomp projectiel de reguliere benaming Scherpe No. 3 draagt.

 

Ik hoop dat dit artikel, op basis van de zeer interessante “Beknopte Overzichten …”, extra inzicht geeft in de geschiedenis van de revolver munitie in Nederlands-Indië. Gelijktijdig blijft er nog wel een aantal vragen over, waarop wellicht leden van onze vereniging antwoord kunnen geven:

• Wat is precies de reden voor het gebruik van merken op het loden projectiel, in plaats van op de hulsbodem?

• Wat is het oudst bekende kogelmerk (in mijn eigen collectie is dat 9 87 (September 1887)?

• Is een verpakking bekend van de Patronen Scherpe No. 3 P.M.?

• Wat is de oudst bekende verpakking van de Patronen Scherpe No. 3 (het oude model dus)?

• Welke kogelmerken uit de periode 1900-1911 zijn bekend bij leden van de NVBMB en op welk type patroon?

• Welke andere uitvoeringen (losse, exercitie, hagel, …) van de 9,4 mm KNIL patronen zijn bekend?

Hopelijk komen de aanvullingen op dit artikel binnenkort in ons mededelingenblad!

 

Gebruikte bronnen:

• Brandt, Jakob H., (1998), Handbuch der Pistolen- und Revolverpatronen, Schwäbisch Hall, Journal Verlag Schwend GmbH

• Harder, H.E. en W.A. Dreschler, (1998), Die Militärrevolver der Niederlande, 1856-1940, Amsterdam: De Bataafsche Leeuw

• Lenselink, J. et al., (1998), De munitie voor de revolvers van de Nederlandse en Nederlands-Indische Krijgsmacht 1861-1940, Warnsveld: NVBMB

• N.N. (1901-1912), Beknopt Overzicht van Proeven en Oefeningen die over de jaren 1900-1911 bij het Wapen der Artillerie hebben plaatsgehad, Batavia: Landsdrukkerij

• Vries, G. de en B.J. Martens, (1995), Nederlandse Vuurwapens – KNIL en Militaire Luchtvaart, 1897-1942, Amsterdam: De Bataafsche Leeuw

• Eigen collectie en archief

[* Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging ter Bestudering van Munitie en Ballistiek door dhr. Klein-Blatink. Als voormalig correspondent betreffende vuurwapens, munitie en geschut van de vereniging Mars et Historia heeft hij dit artikel hier online beschikbaar gesteld.]