tank.jpg

Rob Wolters

Bij de laatste re-enactment evenementen gebruikten de uitbeelders van het Belgische 7e Bataljon Infanterie van Linie niet langer watertonnetjes, maar blikken flessen. Wederom is dit gebaseerd op mijn onderzoek naar de uniformering en uitrusting van het Nederlandse leger in de periode 1814-1815. Naar verluid bestaat het idee dat mijn conclusie is dat de Nederlanders en Belgen bij Waterloo geen Engelse watertonnetjes gebruikt hebben. Dat is zeker onjuist. Het lijkt mij dus verstandig om een en ander nader toe te lichten.

Net als broodzakken, eetketels en dergelijke behoorden de watertonnetjes of veldflessen bij de kampementseffecten. Zij werden alleen uitgereikt aan troepen die te velde trokken en na afloop van de veldtocht weer ingenomen. Ook het mobiele leger van 1815 werd ermee uitgerust. Op 1 mei van dat jaar rapporteert de Inspecteur der Administratie van de mobiele armee, Reuther, dat: "Alle Veld-Equipage aan de Armée is uitgegeven, dezelve bestaat in blikke Water Vlasschen of tonnetjes [….]".1 Met andere woorden: beide waren in gebruik! In het archief bevinden zich diverse bronnen waaruit we de verstrekking van deze artikelen aan de veldeenheden nauwkeurig kunnen reconstrueren. Ten eerste zijn van het Kleding Magazijn in Brussel twee complete sets processen-verbaal van ontvangsten en leveringen bewaard gebleven.2 Van de uitgiften van het magazijn van het mobiele leger bevindt zich een overzichtsstaat bij een verantwoording van de Inspecteur der Administratie van het mobiele leger Reuther.3 Ten tweede rapporteerden alle korpsen begin 1816 op verzoek van de Intendant-Generaal van de Administratie van Oorlog Piepers over wat zij aan kampementseffecten ontvangen en verloren hadden en over de staat van wat resteerde.4 

 

Ronde houten veldfles met leren schouderband voor een tamboer Nationale Militie, Infanterie bij Waterloo (© Nationaal Militair Museum, Soesterberg)

Over de identiteit van de watertonnetjes kunnen we kort zijn. Er is geen twijfel mogelijk dat het om het bekende Engelse model gaat. Eind maart 1814 had het kledingmagazijn in Den Haag er 16.000 van ontvangen. 5000 stuks waren in Hellevoetsluis aangekomen met de "Nelly"5, 1000 met de "Catherine"6 en de overige met de "Venus".7  Deze werden successievelijk van daar naar Den Haag gezonden. Alleen de eerste zending van 1200 stuks8 werd direct uitgegeven: 957 aan het 12e Bataljon Infanterie Landmilitie (het latere Nr. 8) en de resterende 243 aan het 13e Bataljon Infanterie Landmilitie (het latere Nr. 15).9 De rest werd opgeslagen. Aan het begin van de veldtocht van 1815 had alleen het Bataljon Infanterie Nationale Militie Nr. 8 (het eerdere 12e) daar nog 517 van in gebruik.10 In juli 1814 waren nog eens 3150 stuks uit Groot-Brittannië aangekomen.11 Twee bataljons waren bij de oprichting uit Engelse magazijnen gekleed en gewapend en wel het 8e en het 10e Bataljon Infanterie van Linie. In september krijgt het 8e Bataljon Infanterie toestemming zijn watertonnetjes in te  leveren, ten getale van 650 stuks, waarvan 105 zonder draagbanden.12 De 728 watertonnetjes (waarvan 528 reparabel) met 655 draagriemen (waarvan 555 reparabel) van het al in 1814 opgeheven 10e Bataljon Infanterie van Linie zijn pas op 7 maart 1815 in het magazijn aangekomen.13  

Een gedeelte van deze watertonnetjes was wel gebruikt om er de troepen van de eerste expeditie naar Nederlands-Indië mee uit te rusten. Het 5e Regiment Infanterie van Linie kreeg er 1578 van in oktober 1814.14 Diverse koloniale korpsen ontvingen tezamen 932 stuks in februari 1815.15 In maart 1815 wordt de voorraad kampementsgoederen van het kledingmagazijn te Delft 'geplunderd' ten behoeve van het mobiele leger. Naar Brussel worden onder anderen gezonden:16

  • 16090 watertonnetjes met draagbanden, waarvan 650 niet nieuw
  •    728 watertonnetjes zonder draagbanden, waarvan 528 reparabel
  •    728 ledere draagbanden, waarvan 200 in goede staat en 528 reparabel

Zoals de waarnemend Commissaris-Generaal van Oorlog Piepers op 27 maart aan de Luitenant-Kolonel Du Caylar, Adjudant van de Prins van Oranje, liet weten,17 was dit de hele voorraad van het Delftse magazijn. Het hierboven gemelde tekort aan draagbanden was waarschijnlijk opgelost met behulp van een partij van 300 stuks, ontvangen uit het Magazijn van Breskens.18 

Na aankomst van deze watertonnetjes op 11 april 181519 werd direct aangevangen met de distributie. Dezelfde dag werden de Bataljons Infanterie Landmilitie Nrs. 7, 13, 14, 15 en 18 (later vernummerd tot 14, 15, 10, 9 en 19) en het Bataljon Jagers Nr. 27 van watertonnetjes voorzien.20 De volgende dagen was het de beurt aan de Bataljons Infanterie van Linie Nrs. 2 en 6, het 4e Bataljon Infanterie Landmilitie en het Bataljon West-Indische Jagers Nr. 11.21 Op 16 en 17 april werd het restant naar het magazijn van het mobiele leger te Nivelles doorgezonden.22 Van daaruit werden het Bataljon West-Indische Jagers Nr. 10, het 1e Flankeur Bataljon, de Bataljons Infanterie van Linie Nrs. 12 en 13, de Bataljons Jagers Nrs. 16 en 18, het 1e Bataljon van het Regiment Infanterie Oranje-Nassau Nr. 28, het 2e Regiment Nassausche Lichte Infanterie en de Bataljons Infanterie Nationale Militie Nrs. 1, 2, 3, 6, 7, 17 en 18 ermee uitgerust.23 

Was het veldleger dan toch geheel met watertonnetjes uitgerust? Nee. In bovenstaande opsomming ontbreken de Belgische bataljons bijvoorbeeld geheel. In Nederland noch in België werden watertonnetjes geproduceerd. Op 25 april 1815 werden in België modellen van kampementseffecten vastgesteld en naar de Belgische korpsen gezonden. Die kregen opdracht daarvoor contracten te sluiten. Onder deze modellen bevond zich een blikken veldfles met lederen draagriem.24 Een dag later werd deze vervangen door een kleiner model.25 De modellen werden geleverd door N. Kerckx te Brussel.26 Deze leverde bovendien volgens een contract van 13 maart 1814. een partij van 15.800 stuks aan het Groot Kledingmagazijn te Brussel.27  De modellen van draagriemen waren geleverd door D. Roze.28 Voor 22.800 draagriemen werd gecontracteerd met de leerlooier A.J. Hap te Etterbeek.29 Beide artikelen werden in partijen geleverd en in kleine aantallen naar het Mobiele Leger gezonden, waar ze gebruikt werden voor aanvulling en vervanging van verliezen.

De Belgische korpsen sloten inderdaad alle in april 1815 contracten voor de benodigde blikken flessen en draagriemen.30 De Noord-Nederlandse Bataljons in België die niet tot het mobiele leger behoorden, maar de garnizoenen van Mons, Turnhout en Antwerpen vormden moesten ook veelal bivakkeren. Daarom werd in mei besloten hun ook van kampementseffecten te voorzien. Deze werden geleverd door het Algemeen Kledingmagazijn waar zich inmiddels geen watertonnetjes meer bevonden. Deze bataljons, te weten de Bataljons Infanterie van Linie Nrs. 8, 9, 14 en 15, de Bataljons Nationale Militie Nrs. 11, 12, 13, 16 en 20 en het 2e Bataljon Flankeurs, werden daarom van blikken flessen voorzien. Op 9 juni wordt ook de in de vestingen actieve West-Indisch Artillerie er van voorzien. De regimenten cavalerie werden eveneens met blikken veldflessen uitgerust. Alleen heeft het Regiment Huzaren Nr. 6 de hare nooit ontvangen, aangezien het transport overvallen werd.31  Na Waterloo werden ook aan de aanvullingsdetachementen uit de depots van de eenheden deze veldflessen meegegeven. De artillerie en trein kon de veldflessen meestal bij de bagage laten. Aan hun werden beide soorten flessen door elkaar geleverd.

Veldfles toebehoord hebbende aan J.B. Kerkhoff in 1830/32 vrijwillig jager bij het korps jagers van Van Dam (Rijksmuseum, Amsterdam)

De blikken veldflessen waren waarschijnlijk gebaseerd op Franse modellen.32 Van deze Franse flessen bestaat echter geen gedetailleerde informatie. Bovendien was het uiteindelijke Nederlandse model kleiner. Dat betekent echter niet dat het uiterlijk van de blikken flessen onbekend is. De restanten van de blikken flessen bleven namelijk na de veldtocht van 1815 in de magazijnen opgeslagen. Eind 1830 werd besloten de troepen uit te rusten met broodzakken, blikken veldflessen en eetketels. Voor het mobiele leger alleen al waren daar 37.000 van nodig.33 De magazijnmeester kreeg toen opdracht om drie goede exemplaren uit de resterende voorraad van 874 stuks uit te zoeken om als model te dienen.34 Van de veldtocht van 1831 zijn enkele exemplaren bewaard gebleven en we kunnen nu met zekerheid vaststellen dat die van 1815 van hetzelfde model waren!

Dan blijven over: ten eerste het 2e Bataljon, Regiment Oranje-Nassau Nr. 28. Van dit bataljon bestaat gelukkig een rapport dat het in mei uit Nassau aankwam, voorzien van veldflessen met riemen.35 Het model is onbekend, maar het zullen geen watertonnetjes geweest zijn. Ten tweede is daar het 1e Regiment Lichte Infanterie van Nassau. Aangezien dit regiment niet door Nederland betaald werd, zal het antwoord hierop in het archief van Hessen gezocht moeten zoeken. Het derde korps, waarvan het niet duidelijk is wat voor veldflessen zij gebruikten is het 5e Militie Bataljon. Voorafgaand aan de veldslagen bij Quatre-Bras en Waterloo kreeg dit bataljon en het 8e Bataljon Infanterie Nationale Militie (het eerdere 12e) slechts enkele tientallen watertonnetjes. Het laatstgenoemde bataljon gaf zelf later op dat het nog 517 stuks over had gehouden van de levering uit 1814 (zie boven). Het 5e had toen geen watertonnetjes ontvangen en vermeldde ook niets over andere flessen. Aangezien er op het moment dat zij hun 39 tonnetjes kregen in het magazijn voldoende voorraad was, kunnen we niet anders concluderen dan dat ze verder al voorzien waren, maar waarmee is onduidelijk.

Samenvattend kunnen we nu stellen dat behalve de drie bovengemelde uitzonderingen het Belgisch-Nederlandse leger in de veldtocht van 1815 twee soorten veldflessen gebruikte: de Britse watertonnetjes en blikken veldflessen van een eigen model. De Belgische bataljons en de gehele cavalerie droegen daarbij uitsluitend blikken flessen. De overige Nederlandse eenheden in eerste instantie alleen watertonnetjes, maar de aanvullingsdetachementen die na de slag naar het mobiele leger marcheerden waren ook van blikken flessen voorzien.

Noten

1. Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Oorlog: Verbaalarchief (gewoon en geheim), nummer toegang 2.13.01, inventarisnummer 220 (30 december 1815, nr. 107 notificatie).

2. Het Rijksarchief in België, Brussel, Archief van de Commissaris-Generaal van Oorlog 1814-1816, nummer toegang BE / A 066, inventaris nummers 201-204.

3. NL-HaNa, Intendant-Generaal van de Administratie van Oorlog, nummer toegang 2.13.13.28, inventarisnummer 141 (31 december 1816, nr. 817).

4. NL-HaNA, Oorlog / Administratie van Oorlog, 2.13.13.28, inv.nr. 77 (18 april 1816 nr. 10-12).

5. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 8 (13 januari 1814, nr. 1).

6. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 17 (23 februari 1814, nr. 12-13).

7. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 20 (5 maart 1814, nr. 45).

8. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 39 (18 mei 1814, nr. 74-75).

9. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 21 (11 maart 1814, nr. 28-29).

10. NL-HaNA, Oorlog / Administratie van Oorlog, 2.13.13.28, inv.nr. 77 (18 april 1816, nr. 10-12).

11. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 60 (22 juli 1814, nr. 44).

12. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 82 (28 september 1814, nr. 41-42) en 98 (9 november 1814, nr. 104).

13. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 138 (31 maart 1815, nr. 19).

14. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 95 (29 oktober 1814, la. A-C).

15. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 128 (24 februari 1815, la C-E).

16. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 135 (23 maart 1815, nr. 80-81).

17. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 137 (27 maart 1815, nr. 28).

18. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 54 (1 juli 814, nr. 5).

19. BE-BrRA, Oorlog 1814-1816, A 066 inv. nr. 201, (proces verbaal  nr. 449).

20. Ibidem (processen-verbaal, nrs. 450-455).

21. Ibidem (processen-verbaal, nrs. 467-4470).

22. Ibidem (processen-verbaal, nrs. 485, 486 Enkele tientallen werden later nog nagezonden nr. 523 & 583).

23. NL-HaNA, Oorlog / Administratie van Oorlog, 2.13.13.28, inv.nr. 77 (18 april 1816 nr. 10-12) en 141 (31 december 1816, nr. 817). Het 1e Flankeur Bataljon was er gedeeltelijk al van voorzien; alleen de twee compagnieën afkomstig van het Bataljon Infanterie van Linie Nr. 21 hadden ze nog niet.

24. BE-BrRA, Oorlog 1814-1816, A 066 inv. nr. 72, map 12.625 (Verbaal van 25 maart 1815 nr. 3058).

25. Ibidem (Verbaal van 26 maart 1815 nr. 3075 en 3093).

26. BE-BrRA, Oorlog 1814-1816, A 066 inv. nr. 201, process verbal nr. 379. Waarschijnlijk de Nicolas Kerckx, leeftijd 47 jaar, uit het overzicht van ‘wie is wie in 1812’ in Brussel (www.bruxelles1812.org/1812-K.pdf).

27. BE-BrRA, Oorlog 1814-1816, A 066 inv. nr. 150, map nr. 16; oorspronkelijk hadden dit er 22.800 moeten zijn maar dat aantal is op enig moment verlaagd.

28. BE-BrRA, Oorlog 1814-1816, A 066 inv. nr. 201, process verbal nr. 381. Waarschijnlijk de Dominique Roze, leeftijd 45 jaar, uit het overzicht van ‘wie is wie in 1812’ in Brussel (www.bruxelles1812.org/1812-R.pdf).

29. Ibidem, map nr. 56. Het gaat hier ongetwijfeld over Albert-Joseph Hap (1774-1861), burgemeester van Etterbeek, die in 1812 een lederfabriek oprichtte (Marie‐Pierre Dusausoy, Historische studie van het huis Hap, gelegen Waversesteenweg 508 te Etterbeek. Uitgevoerd voor rekening van de gemeente Etterbeek, in het kader van het wijkcontract "jacht‐gray", Brussel 2015).

30. NL-HaNA, Oorlog / Administratie van Oorlog, 2.13.13.28, inv.nr. 77 (18 april 1816 nr. 10-12) en BE-BrRA, Oorlog 1814-1816, A 066 inv. nr. 62, map 12.824.

31. NL-HaNA, Oorlog / Administratie van Oorlog, 2.13.13.28, inv.nr. 77 (18 april 1816 nr. 10-12).

32. De oude opvatting dat het Franse leger geen veldflessen verstrekte is inmiddels achterhaald.

33. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 2559 (8 januari 1831, nr. 44).

34. NL-HaNa, Oorlog / Verbaalarchief, 2.13.01. inv.nr. 2562 (13 januari 1831, nr. 57).

35. NL-HaNa, Inspecteur-Generaal van de Administratie bij het Leger, nummer toegang 2.13.13.33, inventarisnummer 1 (Verbaal van 17 mei 1815, nr 52-53, de bijlage is exh. 24 mei nr. 108).