infanterie.jpg

Door de eeuwen heen is het huis van Oranje vrijwel onlosmakelijk verbonden geweest aan de Nederlandse strijdkrachten. Aan het eind van de 19e eeuw stond deze onderlinge relatie echter onder grote maatschappelijke druk na het overlijden van koning Willem III. Tot aan haar 18e verjaardag was diens dochter Wilhelmina nog niet als vorstin aan de macht, maar werd het gezag voorlopig bij haar moeder Emma neergelegd als regentes.

Uitreiking van vaandels door Wilhelmina en Emma in 1893 (schilderij van Hoynck van Papendrecht, gedateerd 1895)

De volgende studie gaat dan ook specifiek in op de relatie van regentes Emma en de krijgsmacht in de jaren 1890 - 1898. In haar studie verwoord Charlotte van Wezel onder andere het volgende:

Volgens de militair historicus W. Bevaart bestond er in Nederland aan het einde van de negentiende eeuw een monarcho-militair complex dat bestond uit de koning, de leden van het Koninklijk Huis, de ministers van Oorlog en Marine, het departement en de verschillende legeronderdelen. Deze onderdelen stonden volgens hem sterk met elkaar in verband.  Door de grote verbanden hiertussen was er ook sprake van een sterke afhankelijkheid van elkaar. Onder de koningen Willem I en Willem II was de verbintenis en afhankelijkheid van elkaar volstrekt logisch. Naast hun koningschap waren beide koningen ook geliefde militairen die bekend stonden om hun militaire kennis en capaciteiten. Willem III had een andere reputatie dan zijn vader en grootvader. Hij stond bekend als een flamboyante man die deed waar hij zin in had en weinig aandacht besteedde aan zijn taak als vorst. Ook stond hij niet bekend om heldhaftige militaire daden. Daarbij kwam dat hij door de wijziging van de Grondwet in 1848 niet meer het oppergezag over de krijgsmacht had, in tegenstelling tot zijn voorvaderen. Ondanks dit had hij wel een militaire opleiding genoten en meende hij een belangrijke rol te hebben binnen de Nederlandse krijgsmacht. 

Lees verder hieronder, en bekijk de studie zelf!

Zowel de monarchie als de krijgsmacht hadden aan het einde van de negentiende eeuw te maken met een sterk afgenomen populariteit die hun positie in de maatschappij in het nauw bracht. Daarbij beschouwden militairen zich vaak als dienaren van de vorst. Een slechte reputatie van de vorst had daardoor directe negatieve invloed op de krijgsmacht. De monarchie en de krijgsmacht hadden elkaar en de daarbij behorende tradities en ceremonieel nodig om het hoofd te kunnen bieden aan deze bedreiging. Deze scriptie gaat over de relatie tussen regentes Emma en de Nederlandse krijgsmacht tussen 1890 en 1898 en beantwoord de vraag hoe er in deze periode door beide partijen gebruik werd gemaakt van de historische verbintenis met elkaar. 

In 2014 schreef mevr. Van Wezel haar masterscriptie militaire geschiedenis (Universiteit van Amsterdam), getiteld: "Voor vorst en vaderland": de relatie tussen de krijgsmacht en regentes Emma tussen 1890 en 1898.