kareldoorman.jpg

Erwin Muilwijk

Onlangs promoveerde Luitenant-Kolonel Joris van Esch van de Koninklijke Landmacht op 15 oktober j.l. aan de universiteit van Amsterdam op zijn onderzoek over de relatie tussen de Nederlandse regering in ballingschap en de door de Geallieerden uitgevoerde luchtbombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog op Nederland.

Graag maak ik hier van de gelegenheid gebruik om twee korte berichten over dit onderzoek hier te plaatsen, welke terug te vinden zijn op het internet. (De originele bronvermeldingen staan aan het einde van dit korte artikeltje.)

Wellicht dat hier binnen de vereniging op een later moment nog uitgebreider aandacht aan kan worden besteed! 

1. Oorlogskabinet reageerde reactief en machteloos op bombardementen

Het beleid van de Nederlandse regering in ballingschap rond de geallieerde bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog was terughoudend, reactief en machteloos. Dat is de belangrijkste conclusie uit het promotieonderzoek van Joris van Esch. Hij promoveert op woensdag 15 oktober aan de Universiteit van Amsterdam. Britse en Amerikaanse bommenwerpers voerden van 1940 tot 1945 in totaal 851 missies uit op Nederlands grondgebied. Daarbij werden 17.000 bommenwerpers ingezet die in totaal bijna 30.000 ton bommen afwierpen. Deze luchtaanvallen veroorzaakten veel slachtoffers (schattingen variëren tussen zes –en veertienduizend) en grote schade. Van Esch deed onderzoek naar het politieke en militaire beleid van de Nederlandse regering in ballingschap ten aanzien van geallieerde luchtaanvallen in Nederland. ‘Het politieke beleid van de Nederlandse regering in ballingschap is niet anders te typeren dan als reactief. Zo verzuimde het oorlogskabinet de uitvoering van het beleid met betrekking tot luchtaanvallen goed te controleren en het initiatief naar zich toe te trekken. Het kabinet liet daarnaast meerdere keren na actief stelling te nemen en bijvoorbeeld bij de Britse regering het gebrek aan precisie van de bombardementen te bekritiseren,’ vertelt Van Esch. Van Esch stelt echter dat de Nederlandse regering tijdens de Tweede Wereldoorlog wel degelijk invloed had op het geallieerde bombardementsbeleid. De machteloosheid kwam juist door het gebrek aan politiek-bestuurlijke daadkracht. Dit uitte zich duidelijk tijdens de kabinetscrisis van 1941, maar ook later werden besluiten over het bombardementsbeleid niet expliciet besproken, niet genomen of werd er een incidentenpolitiek gevoerd. Beeldvorming na de oorlog De beeldvorming over de bombardementen lijkt te zijn gekleurd door de luchtaanval op 11 april 1944 op kunstzaal Kleykamp in Den Haag, de plek waar alle persoonsbewijzen werden opgeslagen. Deze aanval kenmerkte zich door een uitgebreide Brits-Nederlandse besluitvorming en voorbereiding. De precieze en succesvolle uitvoering van het bombardement leidde tot tevredenheid aan zowel Britse als Nederlandse kant. Van Esch: ‘De besluitvorming over de luchtaanval op Kleykamp is na de oorlog model komen te staan voor de besluitvorming van de Nederlandse regering over alle geallieerde bombardementen op bezet Nederland. Dit komt vooral omdat toenmalig premier Pieter Gerbrandy deze luchtaanval bij de verhoren van de parlementaire enquêtecommissie naar voren bracht als voorbeeld van de invloed van de Nederlandse regering.’ Echter, het geval Kleykamp was niet representatief voor de besluitvorming tijdens de oorlog. Bombardementen op verzoek van de regering in ballingschap hadden tot Kleykamp nauwelijks plaatsgevonden. Ook een dergelijk gedetailleerd overleg met de Britten of Amerikanen was eerder uitzondering dan regel. Promotiedetails Dhr. J.A.C. van Esch: A finger in the pie? De Nederlandse regering in ballingschap en geallieerde luchtaanvallen op Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Promotor is prof. dr. W. Klinkert. 

2. Nederlands leed door ‘bevriende’ bommen tijdens WO II

Het woord ‘precisiebombardement’ was nog niet gevallen. Toch suggereerden de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog al dat zij gericht konden bombarderen. In werkelijkheid lukte dat zelden en daar heeft Nederland ernstig onder geleden. Bommen die binnen een kilometer van het doel vielen, golden als een voltreffer. En ondanks deze ruim bemeten statistiek viel meer dan de helft daar nog buiten. Dit is één van de conclusies van Joris van Esch, luitenant-kolonel van, de Koninklijke Landmacht, die vandaag aan de Universiteit van Amsterdam promoveert op het onderwerp bombardementen en regering in ballingschap. Daarover bestaan veel misverstanden, schrijft hij in zijn proefschrift A finger in the pie. Psychologische vervorming De geallieerde luchtaanvallen op Nederland waren talrijk en ze vonden vrijwel gedurende de hele oorlog plaats. Zeventienduizend bommenwerpers wierpen dertigduizend ton bommen af. Ze vergden naar schattingen tussen de zesduizend en veertienduizend slachtoffers, en richtten grote schade aan in steden onder meer Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Den Helder, Eindhoven, Middelburg Nijmegen, Rotterdam, Venlo, Vlissingen en Zutphen. De wederopbouwarchitectuur is nog vaak stille getuige van de aanvallen. Het beeld dat over de geallieerde aanvallen bestaat, klopt vaak niet met de werkelijkheid, zegt Van Esch. ‘De geallieerden bombardeerden vaak per ongeluk woonwijken.’ Een goed voorbeeld waren de bombardementen op de Fokkerfabrieken in Amsterdam-Noord (ruim tweehonderd doden) op 17 juli 1943, nog eens op 25 juli en op 28 juli. ‘Burgers staat dan na de oorlog vaak bij dat het ging om “nabombardementen door de Duitsers”, maar dat was psychologische vervorming. Men wilde niet weten door geallieerden gebombardeerd te zijn.’ Ook het draagvlak onder de Nederlandse bevolking was minder sterk dan wel wordt gedacht. ‘Als we historicus Loe de Jong moeten geloven stonden de Nederlanders jarenlang te juichen als er een geallieerd toestel voorbij kwam. Hij citeerde eens een inwoner uit Kampen die had gezegd: als ik de bommenwerpers voorbij hoorde komen was het of ik engelen hoorde zingen. Daar tegenover stonden echter veel critici.’ Prins Bernhard gaf toestemming De Nederlandse regering in ballingschap had formeel volgens Van Esch inspraak bij de voorbereiding van de bombardementen. Later werd vaak gesuggereerd dat de Nederlanders nauwelijks werden geraadpleegd. Maar dat viel volgens Van Esch nogal mee. Het probleem was echter dat de Nederlandse regering in ballingschap de invloed onvoldoende benutte en zich na afloop ook niet opdrong bij het evalueren van fouten. Daar kwam bij dat ook prins Bernhard zich liet gelden. Hij gaf toestemming gaf voor een bombardement op het gebouw van de Sicherheitsdienst (SD) in Amsterdam, dat werd uitgesteld nadat het kabinet de beslissing had overruled. Toen het einde van de oorlog naderde, werden de bombardementen frequenter en kreeg de regering ook last van informatieachterstand. ‘De Nederlandse regering reageerde terughoudend, reactief en machteloos op de geallieerde bombardementen.’ Foutieve beeldvorming Na de oorlog werden de tekortkomingen van de Nederlandse regering onderbelicht. Men keek naar successen, aldus Van Esch. Zo bestond grote tevredenheid over het bombardement van kunstzaal Kleykamp in Den Haag, waar persoonsbewijzen werden opgeslagen. De toenmalige premier Pieter Gerbrandy bracht deze bombardementen in de parlementaire enquêtecommissie naar voren. Het beeld dat veel bombardementen verkeerd gingen, vervaagde erdoor. Eigenlijk barst het van de misverstanden en foutieve beeldvorming als het gaat om de bombardementen. ‘Het bombardement op Nijmegen is ook gewoon een fout geweest, en dat werd na de oorlog verzwegen. Cognitieve dissonantie. De waarheid werd niet geaccepteerd.’ Niet alle vliegtuigen vielen Nederland aan, maar het land werd wel de hele oorlog lang gebombardeerd – duizend van de vijftienhonderd dagen dat de oorlog duurde – om te voorkomen dat de Duitsers Nederland als veilige haven gebruikte. Van Esch:‘In Rotterdam mochten de Rotterdammers de wijken niet uit. Menselijk schild is te sterk uitgedrukt, want de Duitsers hadden ze er niet heen gebracht. Ze waren er al, maar mochten niet weg. En toen moest de Nederlandse regering toestemming geven om de stad in oktober 1941 opnieuw te bombarderen.’ Tekst: Ton Damen

Bron 1: Universiteit van Amsterdam

Bron 2: Folia web