tank.jpg

Wanneer rond 1880 de fortificatiën voor de Nieuw Hollandse Waterlinie vrijwel gereed zijn, worden ze in een klap als achterhaald gezien door de uitvinding van de brisantgranaat. In de decennia erna worden de forten nog wel verstevigd met aarden lagen bovenop de gebouwen om de inslag van de granaten te minimaliseren, maar met de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog en de ontwikkeling van de artillerie moet er opnieuw actie ondernomen worden. Wil de waterlinie overleven als verdedigingsmiddel, dan moet er op grote schaal overgegaan worden op moderne versterkingen, wat men in die jaren betonnering zal gaan noemen. Overal worden kazematten na 1918 gebouwd, en met de uitvinding van de goedkope en flexibel inzetbare G-kazemat verlaat de legerleiding zelfs het idee om zich binnen de fortengordel te verdedigen. Er worden nieuwe maar ondiepe linies langs de grenzen aangelegd. De strategie om Nederland te verdedigen wordt aangepast, wat wellicht zelfs tot de snelle overgave heeft geleid in mei 1940.

Dit alles is te lezen in de studie van dhr. Michels, getiteld '…de fictie dat Holland een vesting is.’ Vestingbouw door het wapen der genie, 1914–'40.

In zijn samenvatting schrijft Michels: "De oorlogshandelingen in 1914 leren dat de onvoltooide Stelling van Amsterdam technisch is achterhaald. Als gevolg neemt opperbevelhebber C.J. Snijders bij de betonnering van zijn stellingen een afwachtende houding aan. Hij komt pas in juni 1917 in actie, wanneer minister van Oorlog J.J. Rambonnet hem dat opdraagt. Het Technisch Bureau (TB) tekent een standaard-schuilplaats. Vóór de bouwcampagne goed en wel start, valt die in november 1918 stil. Ook daarna investeert de legerleiding terughoudend in vestingwerken. Wanneer er financiële ruimte is, kiest zij voor levende weermiddelen. In 1922 stelt de regering Vesting Holland in: zij maakt een einde aan het versnipperd commandement. Het TB en opvolger Centraal Inundatie- en Technisch Bureau (CITB, 1923) krijgt een leidende rol in de voorbereiding van stellingbouw. J.H. de Man stelt tussen 1921-‘28 het Voorschrift Inrichten Stellingen, deel VII (VIS) op, aan de hand van studie van de Belgische en Noordfranse slagvelden. De bundeling van kennis in het CITB brengt een handvest met innovatieve ontwerpen, maar ook marginalisatie van de rol van de eerstaanwezend ingenieur."

"In de jaren 1920-’35 is vanwege bezuinigingen geen ruimte voor vestingbouw. Tegelijk is Vesting Holland toen op talrijke plaatsen versterkt. Met de Kringenwet 1853, Vestingwet 1874 en Inundatiewet 1896 is de uitwerking van rijks-, provinciale en gemeentelijke wegenplannen, Zuiderzeewerken, Noordzeekanaal en Amsterdam-Rijnkanaal aangegrepen voor de verbetering van het voorbereide gevechtsterrein met inundaties, sluizen, keringen, kaden, wegen en kazematten. Deze vesting krijgt zo een geraamte van moderne stellingbouw: een uitstekende basis voor uitbouw in oorlogstijd. Tegelijk neemt de commandant veldleger als commandant Vesting Holland niet de verantwoordelijkheid die bij die taak hoort; hij houdt zijn oog liever op de rijksgrens. De inspecteur der genie bereidt ook geen stellingplannen voor. De legerleiding kwijt zich niet van haar taak; zij stelt geen vestingbouwkundige strategie op, noch heft tekortkomingen op. De modernisering komt desondanks tot stand, dankzij initiatieven van derden. Die versterking krijgt in maart 1936 een impuls, wanneer hoofd CITB De Man naar Italiaans voorbeeld de gietstalen kazemat ontwerpt. De G-kazemat is klein van omvang, sterk, betaalbaar en bovenal een gevechtsdekking die men, anders dan VISkazematten, als onderdeel van het voorbereide gevechtsterrein onopvallend in inundatiekeringen en bij hoge grondwaterstand kan bouwen. Het is een onmiddellijk succes: de legerleiding beschouwt frontale betonkazematten, inclusief de Zuiderzeewerken, als verouderd en neemt noodmaatregelen om de kwetsbaarheid te verkleinen."

"Met het toenemen van internationale spanning komen in 1935 extra middelen voor Defensie beschikbaar. Om een overval op de Vesting Holland te voorkomen zijn er in dat jaar brugkazematten bij belangrijke rivierovergangen in voorbereiding. Chef generale staf I.H. Reijnders laat ook kazematten bouwen op het kanalenkruispunt bij de Peel: hier wil hij met een detachement een vijandelijke opmars naar België of Duitsland in de flank kunnen bedreigen. Deze kazematbouw, die een optreden buiten de Vesting Holland ondersteunt, is in december 1938 aanleiding tot uitbouw van verdediging met de Rivierenstelling: de regering stelt hiervoor het Tien-Millioen-Fonds ter beschikking. Hoewel de grensversterking aanvankelijk is ontworpen als een reeks egelstellingen, om een vijandelijke opmars te hinderen, besluit de legerleiding in maart 1939 tot inrichting van een doorlopend front met gekazematteerde mitrailleurs: één linie, van Maastricht tot Kampen. Zo breekt zij met de ongeschreven regel, dat betonnering uitsluitend dáár geschiedt, waar het leger hardnekkig weerstand biedt: in de Vesting Holland. Het ontbreken van een gedeelde visie op de stellingbouw leidt tot het berijden van eigen vestingbouwkundige stokpaardjes. Zo bouwt Reijnders zijn Peelstelling uit tot Peel-Raamstelling, terwijl Van Voorst tot Voorst zijn lot verbindt aan de Grebbelinie. Met de mobilisatie trachten zij van deze nood een deugd te maken, door via een verbinding in de Betuwe de Vallei-Peel-Raamstelling te scheppen. Zo komt er buiten de Vesting Holland een tweede kazematlinie tussen Belgische grens en IJsselmeer tot stand, opnieuw één lijn van mitrailleurkazematten, nagenoeg zonder diepte. Een gevolg is dat ook hier de kwalitatief sterke G- en Bkazemat massaal is ingewisseld voor de kwetsbare S-gevechtsdekking, die 180° schootsveld biedt."

"In juli stelt de regering het Honderd-Millioen-Fonds voor stellingbouw beschikbaar. Een maand later mobiliseert het veldleger volgens Concentratie Blauw achter de Vallei-Peel-Raamstelling. Ook nu wreekt zich het gebrek aan tactische beginselen voor betonbouw. Door een gebrek aan goede voorbereiding lijkt er voor elke betonneringswens geld te zijn. Uit heel Nederland komen aanvragen: er is nauwelijks sturing door de legerleiding. De bouwmarkt komt onder druk te staan. Net als in 1917 is het de minister van Defensie, ditmaal A.Q.H. Dijxhoorn, die ingrijpt en de opperbevelhebber dwingt om keuzes te maken. Uiteindelijk leidt dit vraagstuk tot de vervanging van Reijnders door H.G. Winkelman. Reijnders’ falende regie wreekt zich. Er is een autoriteitsvraagstuk tussen commandant veldleger en inspecteur der genie. De Secties V van veldleger en Vesting Holland ontwerpen voor dezelfde functies elk eigen vestingwerken. Het effect is funest: de betonnering van al die nieuwe stellingen loopt vertraging op. Reijnders’ keuze voor de Vallei-Peel-Raamstelling heeft dramatische gevolgen. Ten eerste is deze omvangrijke stelling met de beschikbare middelen niet te bezetten, laat staan hardnekkig te verdedigen. Uit zijn keuze blijkt een grove overschatting van de kracht van het veldleger. Ten tweede leidt Reijnders’ keuze tot het verlaten van de Vesting Holland: de zekere thuisbasis, die het veldleger juist bewegingsvrijheid kan geven. Drie ongeoefende legerkorpsen graven zich nu in en bouwen aan ondiepe, voor tijdelijke weerstand geschikte linies, die Reijnders ondanks het ontbreken van inundaties tot hoofdstelling promoveert. Winkelman komt te laat in positie om deze dwaling nog te kunnen corrigeren. Hij verbindt de Valleistelling via een Waal-Lingestelling met het Zuidfront, maar in april 1940 verwacht hij deze Vallei-Waal-Lingestelling pas in juli 1941 gereed te hebben. Op 15 mei 1940, wanneer deze zwakke voorbereiding leidt tot een onvermijdelijke nederlaag, blijkt Vesting Holland een fictieve vesting: het sterke vestingbouwkundige concept is verlaten, vanwege het militair avonturisme van de legerleiding. Een vertrek, zonder politiek of militair debat. De ondergang van de Vesting Holland geschiedt sluipend en onverwacht en is roemloos: bij wijze van spreken zonder dat de vijand er een schot voor hoeft te lossen."

In 2020 publiceerde dhr. Michels zijn proefschrift (Universiteit van Amsterdam), getiteld '…de fictie dat Holland een vesting is.' Vestingbouw door het wapen der genie, 1914–'40.