kareldoorman.jpg

Op welke wijze gaven Nederlandse legercommandanten, zoals Hendrik Merkus de Kock, vorm aan de militaire oorlogsvoering op de eilanden Java en Sumatra? Op welke toch vaak agressieve wijze wisten zij de strijd te dirigeren voor het stichten van een koloniaal rijk in wat uiteindelijk Nederlands-Indië zou worden.  Middels onderzoek probeert dhr. Folkerts in zijn studie Officieren in de archipel daar antwoorden op te vinden, die lang genegeerd zijn in de Nederlandse militaire geschiedschrijving. Het is zelfs een oproep voor verder onderzoek! Aandacht nu dan voor de Java- en Padri oorlogen.

Hendrik Merkus de Kock

Hoewel de studie verder geheel Nederlandstalig is, schrijft dhr. Folkerts ter inleiding het volgende: "This paper explores the source material of several Dutch officers in the Netherlands-Indies Army (Nederlands-Indisch Leger, NIL) in an attempt to discover the Dutch strategy employed during the Padri War on Sumatra (1821-1837) and the Java War (1825-1830). Most studies of these wars conclude that the Dutch command lacked any form of central strategic planning, and that most strategic choices were made by officers in the field. Most scholars further state that the available source material is insufficient to conduct research into the choices made by these officers, and that is there for hardly possible to determine the Dutch strategy. This paper aims to fill the existing gap in scholarly knowledge, by analysing the sources which are left behind by commanding officers. The most important recommendation of this paper is to encourage scholars to dive deeper into the archives of officers, which are, instead of lacking, easily accessible at the National Archives in The Hague. The sources tell fascinating stories about the officers, who had to fight the climate, disease and cultural differences as well as their enemies. In the Java War, lieutenant-general Hendrik Merkus de Kock lead the Dutch war effort almost from the beginning till the end, during which he employed many strategies to overcome his adversary, prince Dipo Negoro. His Javanese troops proved to be an enormous challenge, since their rapid raids and ambushes with seemingly archaic weapons were very difficult to counter for the Dutch troops, which were used to a completely different kind of war."

De VOC ontwikkelde een geheel eigen vorm van oorlogsvoering halverwege de 17e eeuw, die voor een deel geheel los staat van de militaire (en revolutionaire) ontwikkelingen in Europa op dat moment. Als commerciële organisatie nam de VOC het op tegen Portugese en Spaanse partijen om voetgrond te verkrijgen in Azië, waarbij belangen van de Nederlandse republiek niet altijd die van de VOC waren. Op militair gebied wist de VOC zich halverwege de 17e eeuw militair gesteund met sterke eigen maritieme ondersteuning en fortenbouw. Waar nodig werden tactieken van de lokale inlandse bevolking overgenomen.

In zijn studie Chain of command geeft dhr. Mostert de benodigde argumentatie om te stellen dat door de gehele organisatie van de VOC, van onder tot boven, zij een eigen vorm van oorlogsvoering ontwikkelde. Gesteund door het bestuur in Amsterdam, de directere aansturing vanuit Batavia en het alomvattende logistieke netwerk. Via diverse militaire campagnes op het lagere niveau voert dhr. Mostert zijn betoog verder. Campagnes aan de kusten van Mozambique, Ceylon, India en Taiwan passeren de revue. 

In 2007 publiceerde dhr. T. Mostert zijn masterthesis (Universiteit van Leiden), getiteld Chain of command: the military system of the Dutch East India Company, 1655-1663.

In 2016 werd bij het uitdiepen van de vaarroutes van de Westerschelde een bijzonder scheepswrak gevonden, net ten zuiden van het Fort Rammekens. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ging er meteen aan de slag om de restanten veilig te stellen, en ontdekte dat dit wellicht het oudst overgebleven Nederlandse oorlogsschip kan zijn. Uit dendronologisch onderzoek naar de jaarringen in het hout bleek dat het schip gedateerd kan worden uit 1552 of enige jaren later. Het schip was een zogenaamde kraak, een bekend type handelsschip. Bijzonder van dit wrak was, dat er allerlei aanwijzingen uit het water naar boven werden gehaald die er op wezen dat het juist voor oorlogsdoeleinden werd gebouwd. De hoeveelheid kanonnen wees daar ook op. Wie weet heeft het schip wel deelgenomen aan de zeeslag bij Fort Rammekens in 1572?!

Lees hierover alles in het officiële archeologische rapport van dhr. Vos, getiteld Wrak Ritthem, een onverwacht oud scheepswrak in de Westerschelde.

Voor de al maar groeiende behoefte van Nederland om de handel onder controle te krijgen in Indië, moesten steeds meer gebieden onder controle worden gebracht. Dit betekende een toename van militair optreden in de Indische archipel, waaronder de lange strijd om Atjeh te onderwerpen. Hiervoor waren ook steeds nieuwe soldaten nodig om het KNIL te blijven versterken. Hiervoor werd onder andere gekeken naar West-Afrika, waar de Nederlandse consul Hamel een belangrijke rol in de werving van troepen speelde. Dit was zeer tegen het Britse been, die de Nederlanders min of meer beschuldigden van het voortzetten van slavernij op een militair-imperialistisch vlak. Dit alles wordt uitgewerkt in de studie van mevr. Bossers getiteld Was Nederland modern imperialistisch?

In haar inleiding schrijft Bossers: "Indonesië was tot 1949 een kolonie van Nederland. Het contact was in eerste instantie zakelijk en formeel, maar dit veranderde in de achttiende eeuw. Om de winst vanuit het land voor Nederland te vergroten, wilde Nederland het alleenrecht op de handel. Dit werd gerealiseerd door conflicten als piraterij, die de handel bedreigden tegen te gaan. Vanaf 1870 voerde Nederland in Nederlands-Indië een expansionistisch beleid. Om Indië onder controle te houden, waren West-Afrikanen nodig om te dienen in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Onder druk van de Britten die de slavernij en slavenhandel hadden afgeschaft, moest Nederland echter stoppen met de werving van soldaten. Deze soldaten kwamen voornamelijk vanuit de slavernij. Vanwege de Atjehoorlog in Nederlands-Indië in 1873 wilden de Nederlanders Afrikaanse slaven blijven kopen. Dit moest gebeuren zonder medeweten van de Engelsen. Nederland deed dit vanuit St. George d’Elmina aan de Goudkust. Dat was het Nederlandse handelscentrum van eerst de goud- en later de slavenhandel. De actieve consul van Elmina, Piet Hamel, speelde een grote rol in het rekruteringsproces van de Afrikaanse soldaten voor het KNIL ten tijde van de Atjehoorlog. Hij ondernam op eigen initiatief reizen naar mogelijke wervingsplekken."

Wanneer rond 1880 de fortificatiën voor de Nieuw Hollandse Waterlinie vrijwel gereed zijn, worden ze in een klap als achterhaald gezien door de uitvinding van de brisantgranaat. In de decennia erna worden de forten nog wel verstevigd met aarden lagen bovenop de gebouwen om de inslag van de granaten te minimaliseren, maar met de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog en de ontwikkeling van de artillerie moet er opnieuw actie ondernomen worden. Wil de waterlinie overleven als verdedigingsmiddel, dan moet er op grote schaal overgegaan worden op moderne versterkingen, wat men in die jaren betonnering zal gaan noemen. Overal worden kazematten na 1918 gebouwd, en met de uitvinding van de goedkope en flexibel inzetbare G-kazemat verlaat de legerleiding zelfs het idee om zich binnen de fortengordel te verdedigen. Er worden nieuwe maar ondiepe linies langs de grenzen aangelegd. De strategie om Nederland te verdedigen wordt aangepast, wat wellicht zelfs tot de snelle overgave heeft geleid in mei 1940.

Dit alles is te lezen in de studie van dhr. Michels, getiteld '…de fictie dat Holland een vesting is.’ Vestingbouw door het wapen der genie, 1914–'40.

In zijn samenvatting schrijft Michels: "De oorlogshandelingen in 1914 leren dat de onvoltooide Stelling van Amsterdam technisch is achterhaald. Als gevolg neemt opperbevelhebber C.J. Snijders bij de betonnering van zijn stellingen een afwachtende houding aan. Hij komt pas in juni 1917 in actie, wanneer minister van Oorlog J.J. Rambonnet hem dat opdraagt. Het Technisch Bureau (TB) tekent een standaard-schuilplaats. Vóór de bouwcampagne goed en wel start, valt die in november 1918 stil. Ook daarna investeert de legerleiding terughoudend in vestingwerken. Wanneer er financiële ruimte is, kiest zij voor levende weermiddelen. In 1922 stelt de regering Vesting Holland in: zij maakt een einde aan het versnipperd commandement. Het TB en opvolger Centraal Inundatie- en Technisch Bureau (CITB, 1923) krijgt een leidende rol in de voorbereiding van stellingbouw. J.H. de Man stelt tussen 1921-‘28 het Voorschrift Inrichten Stellingen, deel VII (VIS) op, aan de hand van studie van de Belgische en Noordfranse slagvelden. De bundeling van kennis in het CITB brengt een handvest met innovatieve ontwerpen, maar ook marginalisatie van de rol van de eerstaanwezend ingenieur."

"In de jaren 1920-’35 is vanwege bezuinigingen geen ruimte voor vestingbouw. Tegelijk is Vesting Holland toen op talrijke plaatsen versterkt. Met de Kringenwet 1853, Vestingwet 1874 en Inundatiewet 1896 is de uitwerking van rijks-, provinciale en gemeentelijke wegenplannen, Zuiderzeewerken, Noordzeekanaal en Amsterdam-Rijnkanaal aangegrepen voor de verbetering van het voorbereide gevechtsterrein met inundaties, sluizen, keringen, kaden, wegen en kazematten. Deze vesting krijgt zo een geraamte van moderne stellingbouw: een uitstekende basis voor uitbouw in oorlogstijd. Tegelijk neemt de commandant veldleger als commandant Vesting Holland niet de verantwoordelijkheid die bij die taak hoort; hij houdt zijn oog liever op de rijksgrens. De inspecteur der genie bereidt ook geen stellingplannen voor. De legerleiding kwijt zich niet van haar taak; zij stelt geen vestingbouwkundige strategie op, noch heft tekortkomingen op. De modernisering komt desondanks tot stand, dankzij initiatieven van derden. Die versterking krijgt in maart 1936 een impuls, wanneer hoofd CITB De Man naar Italiaans voorbeeld de gietstalen kazemat ontwerpt. De G-kazemat is klein van omvang, sterk, betaalbaar en bovenal een gevechtsdekking die men, anders dan VISkazematten, als onderdeel van het voorbereide gevechtsterrein onopvallend in inundatiekeringen en bij hoge grondwaterstand kan bouwen. Het is een onmiddellijk succes: de legerleiding beschouwt frontale betonkazematten, inclusief de Zuiderzeewerken, als verouderd en neemt noodmaatregelen om de kwetsbaarheid te verkleinen."