f16.jpg

Voor de al maar groeiende behoefte van Nederland om de handel onder controle te krijgen in Indië, moesten steeds meer gebieden onder controle worden gebracht. Dit betekende een toename van militair optreden in de Indische archipel, waaronder de lange strijd om Atjeh te onderwerpen. Hiervoor waren ook steeds nieuwe soldaten nodig om het KNIL te blijven versterken. Hiervoor werd onder andere gekeken naar West-Afrika, waar de Nederlandse consul Hamel een belangrijke rol in de werving van troepen speelde. Dit was zeer tegen het Britse been, die de Nederlanders min of meer beschuldigden van het voortzetten van slavernij op een militair-imperialistisch vlak. Dit alles wordt uitgewerkt in de studie van mevr. Bossers getiteld Was Nederland modern imperialistisch?

In haar inleiding schrijft Bossers: "Indonesië was tot 1949 een kolonie van Nederland. Het contact was in eerste instantie zakelijk en formeel, maar dit veranderde in de achttiende eeuw. Om de winst vanuit het land voor Nederland te vergroten, wilde Nederland het alleenrecht op de handel. Dit werd gerealiseerd door conflicten als piraterij, die de handel bedreigden tegen te gaan. Vanaf 1870 voerde Nederland in Nederlands-Indië een expansionistisch beleid. Om Indië onder controle te houden, waren West-Afrikanen nodig om te dienen in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Onder druk van de Britten die de slavernij en slavenhandel hadden afgeschaft, moest Nederland echter stoppen met de werving van soldaten. Deze soldaten kwamen voornamelijk vanuit de slavernij. Vanwege de Atjehoorlog in Nederlands-Indië in 1873 wilden de Nederlanders Afrikaanse slaven blijven kopen. Dit moest gebeuren zonder medeweten van de Engelsen. Nederland deed dit vanuit St. George d’Elmina aan de Goudkust. Dat was het Nederlandse handelscentrum van eerst de goud- en later de slavenhandel. De actieve consul van Elmina, Piet Hamel, speelde een grote rol in het rekruteringsproces van de Afrikaanse soldaten voor het KNIL ten tijde van de Atjehoorlog. Hij ondernam op eigen initiatief reizen naar mogelijke wervingsplekken."

Wanneer rond 1880 de fortificatiën voor de Nieuw Hollandse Waterlinie vrijwel gereed zijn, worden ze in een klap als achterhaald gezien door de uitvinding van de brisantgranaat. In de decennia erna worden de forten nog wel verstevigd met aarden lagen bovenop de gebouwen om de inslag van de granaten te minimaliseren, maar met de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog en de ontwikkeling van de artillerie moet er opnieuw actie ondernomen worden. Wil de waterlinie overleven als verdedigingsmiddel, dan moet er op grote schaal overgegaan worden op moderne versterkingen, wat men in die jaren betonnering zal gaan noemen. Overal worden kazematten na 1918 gebouwd, en met de uitvinding van de goedkope en flexibel inzetbare G-kazemat verlaat de legerleiding zelfs het idee om zich binnen de fortengordel te verdedigen. Er worden nieuwe maar ondiepe linies langs de grenzen aangelegd. De strategie om Nederland te verdedigen wordt aangepast, wat wellicht zelfs tot de snelle overgave heeft geleid in mei 1940.

Dit alles is te lezen in de studie van dhr. Michels, getiteld '…de fictie dat Holland een vesting is.’ Vestingbouw door het wapen der genie, 1914–'40.

In zijn samenvatting schrijft Michels: "De oorlogshandelingen in 1914 leren dat de onvoltooide Stelling van Amsterdam technisch is achterhaald. Als gevolg neemt opperbevelhebber C.J. Snijders bij de betonnering van zijn stellingen een afwachtende houding aan. Hij komt pas in juni 1917 in actie, wanneer minister van Oorlog J.J. Rambonnet hem dat opdraagt. Het Technisch Bureau (TB) tekent een standaard-schuilplaats. Vóór de bouwcampagne goed en wel start, valt die in november 1918 stil. Ook daarna investeert de legerleiding terughoudend in vestingwerken. Wanneer er financiële ruimte is, kiest zij voor levende weermiddelen. In 1922 stelt de regering Vesting Holland in: zij maakt een einde aan het versnipperd commandement. Het TB en opvolger Centraal Inundatie- en Technisch Bureau (CITB, 1923) krijgt een leidende rol in de voorbereiding van stellingbouw. J.H. de Man stelt tussen 1921-‘28 het Voorschrift Inrichten Stellingen, deel VII (VIS) op, aan de hand van studie van de Belgische en Noordfranse slagvelden. De bundeling van kennis in het CITB brengt een handvest met innovatieve ontwerpen, maar ook marginalisatie van de rol van de eerstaanwezend ingenieur."

"In de jaren 1920-’35 is vanwege bezuinigingen geen ruimte voor vestingbouw. Tegelijk is Vesting Holland toen op talrijke plaatsen versterkt. Met de Kringenwet 1853, Vestingwet 1874 en Inundatiewet 1896 is de uitwerking van rijks-, provinciale en gemeentelijke wegenplannen, Zuiderzeewerken, Noordzeekanaal en Amsterdam-Rijnkanaal aangegrepen voor de verbetering van het voorbereide gevechtsterrein met inundaties, sluizen, keringen, kaden, wegen en kazematten. Deze vesting krijgt zo een geraamte van moderne stellingbouw: een uitstekende basis voor uitbouw in oorlogstijd. Tegelijk neemt de commandant veldleger als commandant Vesting Holland niet de verantwoordelijkheid die bij die taak hoort; hij houdt zijn oog liever op de rijksgrens. De inspecteur der genie bereidt ook geen stellingplannen voor. De legerleiding kwijt zich niet van haar taak; zij stelt geen vestingbouwkundige strategie op, noch heft tekortkomingen op. De modernisering komt desondanks tot stand, dankzij initiatieven van derden. Die versterking krijgt in maart 1936 een impuls, wanneer hoofd CITB De Man naar Italiaans voorbeeld de gietstalen kazemat ontwerpt. De G-kazemat is klein van omvang, sterk, betaalbaar en bovenal een gevechtsdekking die men, anders dan VISkazematten, als onderdeel van het voorbereide gevechtsterrein onopvallend in inundatiekeringen en bij hoge grondwaterstand kan bouwen. Het is een onmiddellijk succes: de legerleiding beschouwt frontale betonkazematten, inclusief de Zuiderzeewerken, als verouderd en neemt noodmaatregelen om de kwetsbaarheid te verkleinen."

Halverwege de 18e eeuw brak er een Europese oorlog uit tussen diverse landen en coalities, omdat de troonsbestijging door Maria Theresia voor het Oostenrijks-Habsburgse rijk werd betwist door diverse andere vorsten die de troon betwistten. Dit resulteerde in de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) waarin de Nederlandse republiek uiteindelijk ook militair betrokken raakte en door de Franse strijdkrachten op de knieën werd gebracht.

De Nederlandse republiek werd internationaal nog wel gezien als een Europese militaire grootmacht, maar midden 18e eeuw bleek dit toch geen werkelijkheid meer. Dit wordt beschreven in de studie van dhr. Kragting getiteld Militaire Macht en de Status van 'Grote Mogendheid'.

In zijn inleiding schrijft Kragting: "De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was tijdens de zeventiende eeuw in de internationale politiek een speler om rekening mee te houden. Nederlandse belangen konden zowel binnen als buiten Europa effectief worden verdedigd en de kleine Republiek kon zich meten met Frankrijk en Groot-Brittannië. Volgens sommige historici begon de periode als grote mogendheid af te brokkelen in 16481 toen de onafhankelijkheid van Spanje bevestigd was met de Vrede van Münster en daarmee het doel van de militaire inspanning bereikt was. Anderen stellen dat de Republiek ophield een grote mogendheid te zijn na 1688 (nadat stadhouder Willem III koning werd van Engeland) of na 1713 (na afloop van de Spaanse Successieoorlog). Een precieze datum waarop het verval werd ingezet is niet aan te wijzen."

In nummer 3 van Mars et Historia van onze jaargang van 2020 publiceerde de heer Tjepkema een uitgebreide kritiek op het lopende meerjarenonderzoek over de dekolonisatieperiode van Nederlands-Indië over de periode van eind 1945 tot in 1950. Dit meerjaige onderzoek werd geïnitieerd door de Nederlandse regering, en wordt uitgevoerd door drie instanties, namelijk het NIOD, het KILTV en het NIMH. Los van nog gepubliceerde documenten over dit onderzoek (zie hiervoor een eerder bericht op deze website Dekolonisatiedebat Nederlands-Indië) leeft er onder nog levende veteranen of degene die hun zaak op zich nemen de nodige kritiek op dit onderzoek. Zonder daar nu meteen alles over te vertellen, komt deze kritiek voornamelijk neer op het geen onafhankelijk historisch onderzoek doen binnen de kaders van destijds, het behandelen van de onderwerpen over deze dekolonisatie middels een huidige bril en visie, en daarmee het eventueel in verband brengen van Nederlandse veteranen met geïnstitusionasieert militair geweld, of nog erger... oorlogsmisdaden. En wat verder nog te berde wordt gebracht. Het voornaamste doel van de criticasters is om recht te doen aan de uitgezonden Nederlandse militairen, en op degelijke wijze bij dit meerjaren onderzoek geschiedschrijving te bedrijven binnen dit onderzoek.

Dan is het op zijn minst interessant om te weten hoe voorafgaande aan dit meerjaren onderzoek er historisch onderzoek is uitgevoerd. Zonder dat er hier op deze website nu een oordeel over wordt gevormd, of stelling genomen. Hoe werd de dekolonisatieperiode van Nederlands-Indië van 1945-1950 opgepakt door de voorloper van het NIMH, de Sectie Militaire Krijgsgeschiedenis in de periode 1950 tot aan 2001? Zijn er overeenkomsten, verschillen, etc., in de behandeling van de periode, de veteranen, of het inzicht over het hele tijdvak heen? Dit wordt nader beschreven in de studie van mevr.. Miedema getiteld Wat weet zo’n meid in Den Haag er nou van?

Voor de volledigheid van het debat en de informatie stellen we hier de informatie beschikbaar die is gepubliceerd in de master thesis uit 2019 van mevr. Miedema (Universiteit van Leiden), getiteld “Wat weet zo’n meid in Den Haag er nou van?” De Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf en geschiedschrijving over de Indonesische dekolonisatieoorlog (1945-1950), 1950-2001.

 

Waarom werd juist boven Nederland het Duitse wapen van de parachutisten en luchtlandingstroepen ingezet, terwijl slechts een klein deel het Belgische fort Eben-Emaël aanviel? Konden deze nieuwe luchtstrijdkrachten niet ergens anders worden ingezet tijdens de Duitse inval op 10 mei 1940 tegen Nederland, België en Frankrijk? 

Aan de hand van een reconstructie over de diverse Duitse belangen voor operatie Gelb, de inval in West-Europa, van zowel de misleiding door de Ardennen en de belangen van de Luftwaffe komt dhr. Mertens in zijn studie Noodlottig toeval? tot een aantal bijzondere conclusies. Daarmee wordt de strijd in Nederland in de meidagen van 1940 verder uitgediept en toegelicht.

In zijn korte samenvatting schrijft dhr. Mertens: "De Duitse keuze om hun luchtlandingswapen tijdens de Westveldtocht van 1940 in Nederland in te zetten en niet te gebruiken op het operationele Schwerpunkt was een gevolg van toeval en een reeks in elkaar hakende militaire en politieke keuzes op de hoogste commandoniveaus."

In 2021 publiceerde dhr. Frederik Mertens zijn masterscriptie (Universiteit van Leiden), getiteld Noodlottig Toeval: de drijfveren van de inzet van het Duitse luchtlandingswapen in Nederland.

Voor wie verder ook nog geïnteresseerd is hoe Nederland zich begin 1940 voorbereidde op een eventuele overval door Duitse luchttroepen, verwijzen we nog graag naar de studie Dreiging uit de lucht, welke ook beschikbaar is hier in onze rubriek Recent Onderzoek!