kareldoorman.jpg

Recentelijk besteedden we al aandacht aan de voorlichting aan Jan Soldaat en op welke wijze de Nederlandse overheid hier op inspeelde, o.a. middels het presenteren van een officieel oorlogsbeeld in de informatie- en propagandavoorziening aan de burgers in Nederland. Ditmaal kijken wederom terug op de strijd in Nederlands-Indië voor het behoud van de kolonie, en hoe deze strijd werd gelegitimeerd naar de Nederlandse troepen, door aandacht te besteden aan de studie Een verloren strijd? van mevr. Mulbregt.

In haar inleiding schrijft ze onder andere: "Naar aanleiding van onderzoeken van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KLTV) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) is extra aandacht gekomen voor de belevenissen van militairen en in het bijzonder in combinatie met hun receptie van voorlichting en propaganda. Met deze scriptie wil ik een bijdrage aan dit onderzoekgebied leveren door mij te richten op een enkel aspect van de voorlichting, namelijk de legitimering van het militair ingrijpen. Centraal staat de ontvangst van de militairen. Gezien de beperkte schaal is dit onderzoek indicatief en een aanzet tot grootschaliger onderzoek. Mij hoofdvraag luidt als volgt: In hoeverre overtuigde de legervoorlichting de Nederlandse militairen van de legitimiteit van het militair ingrijpen in Indonesië in de periode 1945-1950 en hoe kan dit worden verklaard?"

Sinds de eerste Irak-oorlog spreken we over imbedded journalism wanneer het gaat over het presenteren van het gewenste beeld van de oorlogsstrijd. Natuurlijk is dat fenomeen al vele eeuwen ouder dan begin jaren negentig van de vorige eeuw. Ook voor de strijd gedurende de periode van eind 1945 tot ver in 1949 streefde de Nederlandse regering naar een gecontroleerd beeld hierover. Zowel naar de burgers thuis in Nederland, de ingezetenen van Indonesië en uiteraard ook de eigen troepen. In zijn studie Voorlichtingsbeleid met betrekking tot Nederlands-Indië 1945-1950 gaat dhr. Wolthuis voornamelijk in op hoe het beleid ten aanzien van het vrijgeven van fotomateriaal de Nederlandse zijde van de strijd moest ondersteunen.

In de inleiding schrijft Wolthuis o.a.: "Dat de strijd in Indië soms heviger was dan men in Nederland vermoedde heeft alles te maken met de informatie die werd vrijgegeven door de autoriteiten aan de Nederlandse pers. Om een beeld te geven van de wijze waarop het nieuws door de autoriteiten werd beheerst, is er naast onderzoek naar de werkwijzen van de voorlichtingsdiensten voor gekozen om onderzoek te doen naar het beleid aangaande het vrijgeven van foto’s. Foto’s hebben de eigenschap dat zij zeer direct bij mensen een reactie op kunnen roepen en kunnen dus als sterke informatieverstrekkers dienen. Een restrictief beleid op het vrijgegeven van fotomateriaal kan dus sterk bijdragen aan het kleuren van het beeld dat het publiek bereikt."

Wellicht de vreemdste bondgenoten die Nederland aan haar zijde was gedurende 1945-1949 in de strijd om het behoud van de kolonie Nederlands-Indië, waren wel voormalige bendeleden uit de omgeving van Batavia (het huidige Djakarta). Uit een combinatie van onvrede met het beleid van de Republik en hun tanende macht in de gebieden rondom de hoofdstad, liepen zij over en werden vervolgens ingezet om inlichtingen in te winnen en deel te nemen aan de counter insurgency strijd. Deze troepen werden Hare Majesteits Ongeregelde Troepen, oftewel HAMOTs, genoemd.

Over dit onderwerp van 'inheemse' hulptroepen schreef de Australische heer Cribb in 1989 alweer in Mededelingen van de Sectie militaire geschiedenis Landmachtstaf een artikel, getiteld De HAMOTs van Luitenant Koert Bavinck: het bendewezen van Jakarta in dienst van het Nederlands gezag (1947-1949).

Oorlog op zichzelf leidt altijd tot geweld, dus ook in wat dan tegenwoordig een dekolonisatie-oorlog genoemd wordt. Nederlands-Indië was er van eind 1945 tot ver in 1949 geen uitzondering op, wanneer we de recente studies raadplegen. Het individuele geweld wordt zeer zelden als zodanig beschreven, en/of anders geplaatst binnen abstracte beschrijvingen van politiek- en militair beleid op het allerhoogste niveau.

Was er dan wel plaats voor lokaal beleid van hooggeplaatste militairen, die ondanks het geweld wel degelijk hun eigen (matigende) stempel konden drukken op de dagelijkse werkelijkheid van een guerrilla oorlog in Nederlands-Indië? Over dit tot op heden weinig onderzochte onderwerp binnen het grotere kader van dekolonisatie en geweld, schrijft dhr. Van der Sprong met als voorbeeld op Centraal Java de generaal-majoor De Waal. Voor een internationale bijdrage en discussie over dekolonisatie, is de studie in het Engels geschreven.

In zijn inleiding schrijft Van der Sprong: "The published literature so far put the emphasis on the political aspect of the decolonization war. Much remains unclear of the role of individual commanders and the way they have influenced the course of the war. Apart from J.A. de Moor’s 'Generaal Spoor: triomf en tragiek van een legercommandant', which is a biographical work of Spoor, no study has been published about other important commanders and their role and influence in the course of the war, the application of structural violence or their possible actions against it. In this biography J.A. de Moor describes Spoor as exceptional, gifted with a quick mind, a sharp intellect, a leader of men, energetic, vigorous and full of optimism. According to De Moor, Spoor wanted to preserve the colony as it was before the start of the Second World War. This positive appreciation of General Spoor by De Moor, makes the study into De Waal even more interesting, because besides the fact that Spoor was beloved and extremely skilled, De Waal dared to challenge Spoor’s authority and did not face serious reprimands by doing so, which implicates the level of respect appreciation Spoor had for De Waal."

De poging van Nederland om na 1945 wederom haar gezag te herstellen in de Indische archipel ging niet alleen gepaard met het heropbouwen van een civiel bestuur, naast de inzet van militairen, maar ook van het herstellen van een politie apparaat. Door de constante guerrilla oorlog die zich overal afspeelde kwam het dagelijks besturen van de gebieden die door het Nederlandse gezag onder controle waren steeds meer in handen van het militair gezag. Een niet onbekend fenomeen tijdens de vele andere dekolonisatie oorlogen kort na 1945. Daarmee kreeg ook de in zijn vele vormen het op te richten koloniale politie in Nederlands-Indië te maken, waarbij het bestrijden van misdaad veel lagere prioriteit kreeg, dan het assisteren in het handhaven van het centrale koloniale gezag. In vele gevallen militariseerde de politie dan ook in de periode van laat 1945 tot aan 1949 en nam deel aan de strijd tegen de Indonesische republiek.

De koloniale politie werd actief onderdeel van de counter insurgency strategie, bestaande uit de driehoek van civiele autoriteiten, militair gezag, en politie controle.

In 2017 publiceerde dhr. Kocsis zijn masterscriptie (Universiteit van Leiden), getiteld De koloniale politie in crisis: dekolonisatie en het politievraagstuk in Oost-Java en Madura, 1945  1949.