kraagemblemen.jpg

Wanneer na 1600 de Staatse vestingstad Oostende door de Spanjaarden belegerd wordt, reageert prins Maurits uiteindelijk in 1604 met een poging de stad te ontzetten door te landen op de kust van het huidige Zeeuws-Vlaanderen. Vrijwel meteen mislukt die veldtocht, maar Sluis en omgeving komen stevig in Staatse handen. Het kleine stadje wordt omgevormd tot een geduchte vesting, vanwaaruit meermaals plundertochten ondernomen worden in Vlaanderen. Sluis is het pistool op de Spaanse borst, en blijft dat ook.

Lees hoe dit stukje Nederlands grondgebied in Staatse handen kwam, en hoe zo de Westerschelde werd beheerst in een artikel van dhr. Vermeir, gepubliceerd in 2004 in Archief, het mededelingenblad van Kon. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, getiteld De grens verlegd: het Zuiden zonder Sluis tijdens de Tachtigjarige Oorlog, 1604-1648.

 

Pas op 7 augustus 1944 landde de Prinses Irene brigade in Normandië aan wal, om vervolgens deel te nemen aan de strijd in Frankrijk, de opmars door België en in het zuiden van Nederland zelf.

Wie meer wil lezen over de strijd in Normandië van de brigade kan terecht op de website van de brigade zelf: De Landing.

Wie de verhalen wil horen van enkele veteranen kan terecht bij een aflevering van het geschiedenis programma Andere Tijden uit 2007 via NPO3 Start: Prinses Irene brigade.

Aan het begin van de Tachtigjarige oorlog waren vele steden genoodzaakt hun verdedigingswerken te moderniseren. Stenen stadswallen werden vervangen door omwallingen van aarde met uitgebreide variaties om de vijand op afstand te houden. Uiteindelijk zou dit zeer specifieke systeem later bekend worden als het Oudnederlandse vesting stelsel.

Interessant is dat daar begin 17e eeuw ook onderwijs in werd gegeven, zoals door de hoogleraar Petrus van Schooten op de Leidse hogeschool. De historicus dhr. Reinders schreef een uitgebreid artikel over Schootens' theoretische werk Van de Fortificatie, en onderzoekt hoe actueel het werk destijds was op het gebied van vestingbouw. Lees diens artikel uit 1995, getiteld Van de Fortificatie.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog beschikte ons land al over twee zogenaamde MAC-schepen, oftewel omgebouwde koopvaardijschepen met een vliegdek en enkele toestellen aan boord, om konvooien over de Atlantische Oceaan te beschermen. Het allereerste echte vliegkampschip was de Karel Doorman, maar dan niet degene die we later kennen. Nee, het betrof hier de uit Britse dienst overgenomen HMS Nairana, omgedoopt tot Karel Doorman met als boegnummer QH-1, en welke bij de Koninklijke Marine in dienst was van 1946 t/m 1948.

Wie meer over het eerste vliegkampschip wil weten moet zeker de volgende webpagina's bezoeken van Vlaggeschip Smaldeel 5, met informatie, foto's, reisverslagen, tekeningen, en meer...: QH-1 '46-'48 index.

 

Al tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de bevelhebbende officieren in het Nederlandse leger ervan overtuigd, dat de manschappen voor de nieuwe vorm van oorlogsvoering hun kepies dienden te vervangen met een helm.

Over de verschillende vormen van helmen schreef de militair historicus Cees Schulten, als jaar en dag lid van onze vereniging en oud hoofd van de Sectie Krijgsgeschiedenis van de Landmacht, in 1984 een overzichtsartikel in de Militaire Spectator, getiteld De Nederlandse helm nieuw model (1927).

Nederlandse helm model M34