infanterie.jpg

In de jaren dertig van de 20e eeuw werd langs de rivier de Maas een nieuwe verdedigingslinie aangelegd van kazematten en andere versterkingen bij brugovergangen. Dit moest een Duitse inval vertragen, voordat deze op de Peel-Raamstelling zou stuiten.

Van deze Maaslinie is een prachtige website voorhanden, met zeer gedetailleerde informatie over de bouw en de diverse kazematten per vak (vaak met submenu's onderaan elke pagina!), de informatie welke troepen deze hebben bezet vanaf de mobilisatie in 1939 en tijdens de gevechten op 10 mei 1940, inclusief gewonden en gesneuvelde militairen. Dit alles voorzien van enorm veel origineel fotomateriaal.

Zeker de moeite om te bekijken, dus ga naar de website Standhouden.

Foto NIMH beeldbank met bijschrift: Gevechtshandelingen van 3./Pionier-Batallion 156 in de Maaslinie. Duitse militairen bij een Nederlands kazemat.

Als snel inzetbare schepen koos de Koninklijke Marine vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog om in Nederlands-Indië speciaal ontworpen kleine schepen in te zetten, uitgerust met lanceerbuizen aan dek om torpedo's af te kunnen schieten. Alhoewel de meeste van de schepen in de kolonie snel werden vernietigd door de Japanners, of opnieuw ingezet, waren er ook nieuwe series boten die zeer succesvol opereerden in de Antillen en vanuit Engeland.

Lees hierover alles in het online artikel op de website Traces of War, getiteld Nederlandse torpedomotorboten.

Een Nederlandse torpedo motorboot (afbeelding overgenomen van de website Traces of War)

N.B. In 1969 verscheen er in ons tijdschrift Mars et Historia ook al een driedelige serie artikelen over deze schepen, ingezet in Nederlands-Indië!

Met de introductie van de grenadier in de Europese legers werd al snel duidelijk dat de hoed met brede rand een hindernis vormde bij het werpen van handgranaten. De randen werden al snel samengebonden in een puntvorm, en van daaruit ontwikkelde zich een nieuw uniformonderdeel: de grenadiersmuts. Na de versie van louter stof, werden er later ook koperen frontplaten aan toegevoegd, totdat door militaire modeverschijnselen de bontmuts zijn intrede deed.

Over dit onderwerp verscheen in het voormalige jaarboek Armamentarium een artikel, getiteld Grenadiersmutsen in het Staatse Leger 1672 - 1795. Hieronder staan verschillende illustraties, om het artikel te ondersteunen.

Grenadiersmutsen (foto overgenomen van het blog Anno Domini 1672)

In 1873 verklaarde Nederland de oorlog aan het onafhankelijke sultanaat van Aceh, gelegen op Noord-Sumatra. Deze oorlog duurde officieel tot 1913, maar flikkerde telkens weer op met lokaal verzet tot aan de Japanse bezetting in 1942. Het is daarmee het langstlopende (koloniale) militaire conflict dat Nederland ooit heeft uitgevochten, met een geschat aantal van 100.000 doden aan weerszijde.

Alhoewel Nederland het zelf zag als een defensieve oorlog om haar handelsbelangen en de vrije scheepvaart door de Straat van Malakka te beschermen tegen de welig tierende Atjeehse piraterij, blijkt dat de gouverneur-generaal Loudon te Batavia en zijn gouvernementscommissaris voor Atjeh Nieuwenhuijzen er alles aan hebben gedaan om de sultan van Aceh te beschuldigen van een instabiel bestuur, het niet controleren van die piraterij en wat ook niet vergeten mag worden, het zoeken naar onafhankelijke diplomatieke relaties van het sultanaat in een imperialistische Westerse wereld die de belangen onderling hadden verdeeld in Zuidoost-Azië. 

In een artikel in de Militaire Spectator uit 2019 geeft de historicus majoor De Winter een overtuigend relaas dat de aanleiding voor de oorlog niks anders was dan de wens van Nederland om haar koloniale rijk uit te breiden en voor de oorlogsverklaring overging tot gekonkelfoes, wat te lezen is in Selling the Aceh War: the Dutch Justification of a War of Expansion against the Sultanate of Aceh.

 

Voor wie meer wil lezen over het perspectief van het sultanaat van Atjeh zelf, bevelen we aan de studie te lezen van dhr. Belderbos in onze rubriek Recent Onderzoek: Onder de hoede van de Allerhoogste.

 

Wanneer de kruistochten naar het heilige land niet meer interessant zijn, ontstaat er een nieuwe focus van de adel om haar christelijke taak te volbrengen. Namelijk de kerstening van de barbaarse volkeren in de Baltische landen, waaronder ook de pruisische stammen. Voor menig Deense, Noors, Zweedse en Duitse ridderzoon is dit de opportune gelegenheid om nog ergens nieuw land en faam te verkrijgen, als de oudere broer het thuisland zal erven. Ook vanuit wat tegenwoordig het huidige Nederland is, gaan velen jaarlijks op pad voor geloof en gewin.

Over dit onderwerp schreef de historicus dhr, Mol een interessant artikel in het speciale nummer van Leidschrift uit 2012 (Met het kruis getekend. Heilig geweld van Koningsbergen tot Jeruzalem), getiteld Om riddereer of zielenheil? De Pruisenreizen van de Noord-Nederlandse adel in de veertiende eeuw.