kareldoorman.jpg

Eind jaren dertig van de vorige eeuw begon de Nederlandse politiek zich te realiseren dat een nieuwe oorlog in Europa wel eens werkelijkheid kon worden. Om die reden begon vanaf 1936 een herbewapeningspolitiek en werd getracht op allerlei vlakken het leger en de luchtmacht tijdig te moderniseren. Vele bestellingen voor wapens en vliegtuigen volgden, waaronder in het buitenland. Desondanks was in mei 1940 nog een groot deel hiervan niet geleverd.

Eén van de wapens die sterk achterbleven was dat van de luchtdoelartillerie. En nu is het bijzondere dat de Nederlandse groot-industriëlen zich daar ook terdege van bewust waren in de jaren 1938 en 1939, en hun fabriekscomplexen slachtoffer konden worden van het moderne luchtwapen en bombardementen, zoals dit in dezelfde periode werd aangetoond tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Er ontstond nu een privé initiatief om alsnog een inhaalrace te maken voor het aanschaffen van moderne luchtdoelartillerie, ondersteund vanuit de regering.

 

Tijdens de pogingen om het Nederlandse gezag weer te herstellen in de kolonie Nederlands-Indië werd gedurende de jaren 1945-1950 de Koninklijke Marine o.a. ook ingezet op de vele aanwezige rivieren. Deze vrij onbekende geschiedenis is recentelijk onderwerp van studie geweest.

In 2012 schreef dhr. M. Cremers zijn master scriptie voor de studie militaire geschiedenis (Universiteit van Amsterdam) getiteld:

Nederlandse Rivieroorlogvoering in de Indonesische Archipel 1945-1950.

Rob Wolters

Op alle schilderijen en prenten van de slag bij Waterloo zijn de afgebeelde kwartiermutsen lakense mutsen, die in het uniform besluit van 9 Januari 1815 nr. 10 als Hongaarse mutsen worden aangeduid. Deze mutsen worden ook in Teupken (1823) beschreven, zij het dat zij dan al wel iets veranderd zijn. In het Recueil Militair van 1814 zien we echter dat de troepen te voet en de trein toen een zogenaamd kalfslederen petje hadden in plaats van de bovengenoemde lakense muts. Helaas bestaat er geen enkele afbeelding van dit petje. De enige bekende aanwijzing betreffende de vorm is een opmerking in Ten Raa. Deze meldt dat het in oktober 1816 Oost-Indië opgerichte bataljon Pioniers een half-bolrond lederen petje kreeg.1  Dit zou gebaseerd kunnen zijn op het petje van 1814, daar de pontonniers, mineurs en sappeurs in 1815 pas maanden na de infanterie een model lakense muts kregen en dus langer het petje zijn blijven dragen, net als overigens de trein.2

Australische convict cap

 

Na de capitulatie van het KNIL op 8 maart 1942 aan de Japanners begaven zich overal in Nederlands-Indië kleine detachementen van Nederlandse militairen, inclusief hun Indisch-Nederlandse en inlandse kameraden in het verzet. Zo ook op Nederlands Nieuw-Guinea, waar diverse groepen actief waren. Van één van deze groepen onder leiding van de Indische-Nederlander kapitein Geeroms is nu meer bekend geworden. 

De groep van kapitein Geeroms telde bij aanvang 66 man sterk, waaronder één Moluks meisje Koos Ayal van vijftien jaar. Van 1942 tot aan de bevrijding van het eiland in 1944 wist de groep zich te handhaven in de Vogelkop van Nieuw-Guinea en de strijd met de Japanse bezetter aan te gaan. Dit kostte Geeroms uiteindelijk het leven en vele andere als wel, zodat uiteindelijk slechts zestien van hen overbleven.

 

Erwin Muilwijk

Voor mijn onderzoek naar primaire bronnen van Nederlandse officieren en manschappen aan de Waterloo-campagne van 1815 ben ik al jaren op zoek her en der door voornamelijk Nederlandse archieven. Verrukt was ik dan ook om ooit tien jaar geleden in Leeuwarden in het archief te stuiten op het persoonlijke dagboek van ene Bavius van Hylckama, een jongeman die in 1815 dienst nam in de Friese compagnie Jagers. Eén van de vele compagnieën destijds van zowel jagers te voet, als te paard, gebaseerd op een enthousiasme Napoleon tegen te houden. Bijzonder om te vermelden is dat zijn broer Frisius destijds diende in het 27e Bataljon Jagers, en ook enkele memoires heeft nagelaten, over voornamelijk de veldslag bij Quatre-Bras.

Nu blijkt afgelopen jaar met de 200-jarige viering van de Slag bij Waterloo iemand anders ook dit dagboek te hebben ontdekt, en het dag voor dag met de aantekeningen van deze Bavius van Hylckama uitgewerkt te hebben op een eigen webblog! Dat scheelt mij een heleboel werk om alles te transcriberen en uit te werken. Bovendien is het gehele dagboek aangevuld met uitgebreide annotaties!

De Friese Vrijwillige Jagers Compagnie zou na Waterloo toegevoegd worden aan het 16e Bataljon Jagers, en als zodanig deelnemen aan de belegeringen en observaties van de Franse vestingen in Noord-Frankrijk, te weten Le Quesnoy, Valenciennes en Condé.

Afbeelding van een vrijwillige jager op voorzijde van Bavius' dagboek manuscript.