artillerie.jpg

De ontwikkeling van nieuwe handboeken voor infanterietactieken na de Eerste Wereldoorlog laat zien dat er ook binnen de Nederlandse strijkkrachten sprake was van vernieuwingen. Er bleven gedurende het Interbellum vele nieuwe voorschriften en gevechtshandleidingen volgen. 

Hoe sloten deze nieuwe concepten echter aan bij een krijgsmacht die in de jaren 30 te maken kreeg met almaar toenemende bezuinigingen, of hoe sloten deze concepten aan bij de werkelijkheid van het bestaande (veld)leger? De nieuwe handboeken spraken van een offensief ingestelde geest voor het leger, maar de werkelijkheid laat zien dat de plaatsing van het veldleger in de hoofdstelling van de Grebbelinie juist een defensief karakter had. Bovendien bleek bij herhalingsoefeningen in de jaren 30 en de grote manoeuvres uit 1936, dat de nieuwe infanterietactieken ver vooruit liepen of de parate staat waarin het leger verkeerde. Er was zelfs sprake van een groot gat, welke niet op korte termijn gedicht zou kunnen worden.

Hoog tijd voor een diepere blik, middels een andere studie welke we hier aanbieden. Lees verder...

Het dagboek van soldaat Leo van den Hombergh verteld het bijzondere verhaal hoe hij en vele van zijn kameraden na het uitbreken van de oorlog op 10 mei 1940, zich eerst verweren tegen de Duitse troepen, om vervolgens via een lange tocht over Zeeland en door België, uiteindelijk in juni aan te komen in Engeland.

Duitse troepen rukken op bij Oeffelt op 10 mei 1940 (Foto ontleend van website Gennep Nu)

In zijn eindscriptie voor de masteropleiding (Universiteit van Utrecht, 2012) plaatst zijn zoon dhr. G.T.M. van den Hombergh de belevenissen in een groter perspectief, zoals hijzelf aangeeft:

De strijd om de Grebbelinie gedurende de meidagen van 1940 heeft al ruime aandacht gekregen de afgelopen decennia, en dan vooral vanuit het perspectief van de infanterie en artillerie.

Minder aandacht kreeg zelfs het aandeel van de luchtmacht in haar specifieke rol en bijdragen boven deze belangrijke gevechtslinie. De luchtverdedigingsonderdelen die de troepen op de grond moesten beschermen tegen Duitse luchtaanvallen kregen zelfs nog minder aandacht. Dat veranderde enkele jaren geleden met een nieuwe studie naar deze twee onderwerpen, welke we hier aanbieden.

4tl Bofors Nederlands stuk afweergeschut.

Lees verder voor een bijzonder interessant onderwerp!

Rob Wolters

Onlangs heb ik mijn licht laten schijnen over de kalfslederen petjes. Bezoekers van re-enactment evenementen zullen gezien hebben dat de uitbeelders van het Belgische 7e Bataljon Infanterie van Linie nu evenmin de donkerblauwe platte pet dragen. Aangezien ook deze wijziging voortvloeit uit mijn onderzoek leek het mij wel aardig om dat uit de doeken te doen.

In februari 1814 werd het op de Fransen veroverde c.q. bevrijdde voormalige Oostenrijkse Nederlanden tot voorlopig bestuur een Generaal-Gouvernement België geformeerd. In een geheime overeenkomst kwamen de Geallieerden met Willem overeen dat dit territorium met de Nederlanden verenigd zou worden. Vooruitlopend hierop werd Willem I op 31 juli 1814 benoemd tot Gouverneur-Generaal van België. Vrijwel direct begon hij met het reorganiseren van de in maart van dat jaar opgerichte Belgische eenheden. Voor de hieruit ontstane bataljons infanterie en jagers werd tegelijk een uniform vastgesteld, dat gebaseerd was op de Nederlandse uniformen, doch er in detail sterk van afweek. De kwartiermuts zou volgens het oorspronkelijk plan van organisatie van Hongaars model zijn, net als in het Koninklijk Besluit van 9 januari 1815 voor het Noorden bepaald was. Daar kan dus niet veel anders aan zijn ... zou je denken. Een eerste aanwijzing dat er toch verschillen waren is een schrijven van de Raad van Administratie van de 16e Afdeling Infanterie aan de Intendant-Generaal:1 

Gend, den 18 Mei 1816, nº. 198

Indertijd is door de Administratie van Oorlog te Brussel aan de administrateurs van het Bataillon Jagers nº. 35 toegezonden een model policiemuts zonder klepje [...]

Fuselier Eric Edelman met de Belgische kwartiermuts (foto Rob Wolters) 

Waarom waren er in 1830 plots zoveel jongemannen uit diverse geledingen van de Nederlandse samenleving, die zich en masse aanmelden om hun voormalige landgenoten in de zuidelijke provincies eens een lesje te leren? Wie waren zij, welke achtergronden hadden deze vrijwilligers en vooral: wat waren hun ervaringen in die korte oorlog tegen het jonge België?

Naast een ruime achtergrondstudie komen de persoonlijke herinneringen en memoires van diverse schutters hier aan bod in de volgende master thesis van dhr. M. van Dijck (Erasmus Universiteit, Rotterdam) uit 2014:

Schutterijen uit Zuid-Holland en de Belgische Opstand.