mldvliegtuig.jpg

Het fenomeen luchtlandingstroepen was nog relatief jong in 1940. De Duitse agressor had in april 1940 al laten zien in Noorwegen wat het effect van dergelijke troepen was. Hoe was het dan gesteld in de jaren voorafgaande aan de meidagen van 1940 in Nederland met de kennis over luchtlandingstroepen en de verdediging van ons land?

De heer Van den Akerboom schreef daarover een studie, waarin hij in zijn inleiding onder andere opmerkt: De eerste grootschalige operationele inzet van luchtlandingstroepen vond plaats tijdens de Tweede Wereldoorlog. In mei 1940 gebruikte de Duitse Wehrmacht, tijdens operatie Fall Gelb, de aanval op Nederland, België, Luxemburg en Noord-Frankrijk, luchtlandingstroepen in een poging diverse vliegvelden waaronder vliegveld Waalhaven en vliegveld Ypenburg, alsmede de bruggen bij Rotterdam en Dordrecht te bezetten. Hoewel de Duitse Wehrmacht in april 1940 luchtlandingstroepen had gebruikt om het vliegveld van Oslo in te nemen was hun inzet tijdens Fall Gelb aanzienlijk groter. Overigens moet de rol van de luchtlandingstroepen binnen operatie Fall Gelb niet overschat worden.

 

Verder vervolgt Van den Akerboom aldus in zijn inleiding...

Ter gelegenheid van de viering in 2014 van 100 jaar Nederlandse vliegtuigindustrie schreef Dr. Dirk Starink een studie over dit onderwerp, welke destijds als een speciale uitgave beschikbaar werd gesteld door de Netherlands Aerospace Group.

Als lid en redacteur van ons kwartaalblad stelt dhr. Dr. Starink (voormalig Bevelhebber der  Luchtstrijdkrachten) nu deze studie beschikbaar voor onze leden en andere geïnteresseerden. Onafhankelijke vliegtuigbouwers als Koolhoven en Fokker passeren de revue, alsmede de Haagse meubelfabriek Pander die in de vliegtuigbouw stapte, of de licentiebouwer Aviolanda. Na 1945 volgen we nog steeds Fokker, maar ook hoe de Nederlandse industrie steeds meer werd ingebed in de internationale licentiebouw van vliegtuigen en helikopters.

Lees alles in de hier online te downloaden pdf-tekst: De geschiedenis van de Nederlandse vliegtuigindustrie 1914 - 2014.

 

 

Naast de gewaagde operatie om alle bruggen in Nederland te veroveren in 1944 door de Geallieerde strijdkrachten (Operation Market Garden), om zo via een achterdeur Duitsland binnen te vallen en welke resulteerde in de alom bekende Slag om Arnhem, waren er ook tegelijkertijd andere offensieven in het zuiden van Nederland. In West-Brabant en Zeeland rukten Polen en Frans-Marokkaanse troepen op. In het centrum bevond zich onder andere de Nederlandse Prinses Irene Brigade, welke uiteindelijk eind oktober de stad Tilburg zou bevrijden.

Bren schutter en infanterist van de brigade tussen Breda en Tilburg (foto overgenomen van de website prinsesirenebrigade.nl)

De heer M. Pijnenburg onderzocht de rol van de Nederlandse brigade in de bevrijding van Tilburg, en schreef in zijn inleiding onder andere:

In deze studie wil ik gaan onderzoeken hoe de bevrijding van de stad Tilburg tussen 24 en 27 oktober 1944 tot stand is gekomen, en in hoeverre de Koninklijke Nederlandse Brigade “Prinses Irene” een hoofdrol heeft vervuld in de bevrijding van de stad. Die vraag hoop ik te kunnen beantwoorden in drie inhoudelijke hoofdstukken. Naast een theoretisch kader, dat nog nader wordt toegelicht, zal ik onderzoeken of de stad Tilburg van enige strategische betekenis was voor de Geallieerde troepen, in hoeverre de aanvallende troepen bij hun krijgsverrichtingen in en om Tilburg hinder hebben ondervonden, en tenslotte wat de rol van de Irenebrigade was in de bevrijding van de stad; was de brigade daadwerkelijk bevrijder van de stad of is dit een naoorlogse veteranenmythe?  

Al deze vragen zal ik beantwoorden in het kader van de wereldberoemde studie van de Pruisische strateeg en generaal Carl von Clausewitz (1780-1831), die na zijn dood met zijn meesterwerk Vom Kriege de wereld heeft veroverd. Een standaardwerk voor de militair strateeg, dat nog nooit eerder op de bevrijding van de stad Tilburg is toegepast. 

In het themanummer van Mars et Historia over de Slag in de Javazee neemt de heer Leebeek (commandeur b.d.) de lezer mee in een uitvoerig en goed onderbouwd artikel over de rol van de luchteenheden tijdens de zeeslag en geeft vele nieuwe inzichten. De heer Leebeek gebruikte onder andere als broninformatie een online artikel van de luchtmacht historicus P.C. de Boer, welke we hier graag beschikbaar willen stellen als extra achtergrond informatie.

De Boer schreef het volgende artikel (als pdf-versie te downloaden): The direct air support during the Battle of the Java Sea, as seen from the allied side.

Curtiss H75A-7Hawk jachtvliegtuigen in formatie boven Cheribon, 1941. Het voorste vliegtuig wordt gevlogen door 1e luitenant Wim Boxman. Het tweede vliegtuig door sergeant vl.wnr. H.J. (Manus) Mulder en het derde door P.C. van Breen. [Foto: collectie R. Vis] 

In het artikel opent De Boer als volgt: After a failed air campaign fought in the period of 18 February up to and including 27 February 1942 the allied forces in Java, former Netherlands East Indies, had only one instrument left to try to prevent a Japanese invasion of Java, the Combined Striking Force (CSF) of the combined allied navies. The battle of the Java Sea between the CSF, a naval squadron consisting of cruisers and destroyers from The Netherlands, United States, United Kingdom and Australia commanded by Rear-Admiral K.W.F.M. Doorman and a Japanese war fleet led by Rear-Admiral Takagi Takeo on 27 February 1942 is well known, as is its outcome. Less well known is the fact that during the larger part of the so-called day fight of the battle the allied air forces of the joint combined Java Air Command (JAC) succeeded in keeping up a local air superiority with 15 fighters from Ngoro in eastern Java. 

 

Nu binnenkort een compleet themanummer uit komt van ons kwartaalblad Mars et Historia over de Slag in de Javazee, is het wellicht wel interessant om eens nader te bekijken wat de Nederlandse defensiepolitiek was voor de toenmalige kolonie Nederlands-Indië. En dan met name de rol van de marine in de verdediging van dit uitgestrekte koloniale rijk.

In 2011 publiceerde Jaap Anten daarover een uitgebreide studie, getiteld "Navalisme nekt onderzeeboot: de invloed van buitenlandse zeestrategieën op de Nederlandse zeestrategie voor de defensie van Nederlands-Indië, 1912-1942".

Britse schepen wijken uit voor Japanse vliegtuig aanvallen.

In zijn voorwoord schreef Anten: "Met het eiland Java verloor Nederland - en achteraf bezien definitief  - zijn belangrijkste kolonie Nederlands-Indië. De Slag in de Javazee was de dramatische nekslag voor de ruim dertig jaar tegen Japan gerichte maritieme defensie om dit verlies te voorkomen. Zoals zovelen verkeerde ik in de veronderstelling dat deze defensie door de Koninklijke Marine vooral een zaak was van enkele kruisers zoals de Java. Toch was er iets wat daarmee niet in overeenstemming was: het grote aantal onderzeeboten destijds. Waarom waren die dan gebouwd? En nog iets: de tacktiek van de Nederlandse onderzeeboten die mondiaal op eenzame hoogte stond. Die kon toch niet toevallig ontstaan zijn?